Podcasts Zaaigoed: inspiratie voor het sociaal domein

In het podcastkanaal Zaaigoed: inspiratie voor het sociaal domein gaan we dieper in op actuele thema's in het sociaal domein. Zoals: hoe stuur je als gemeente in het sociaal domein? Hoe geef je als gemeenteraad goed invulling aan je kaderstellende rol? En: hoe sociaal kun je zijn?

Op de hoogte blijven? Abonneer je en ontvang iedere 6 weken een verse podcast! Abonneren kan via email, stuur dan een mail aan info@programmasociaaldomein.nl. Abonneren via Whatsapp? Stuur 'podcast aan' aan [06 83516351] Je kunt de podcasts ook via Spotify of iTunes beluisteren.

Podcast #1 Onzeker werkenden

Hoe geven we ‘onzeker werkenden’ meer bestaanszekerheid? En wat kunnen overheid en arbeidsmarkt in dit opzicht leren van voetbaltrainers? Erik Dannenberg, voorzitter van Divosa, pleit in deze podcast voor meer aandacht voor mensen zonder bestaanszekerheid. Zijn pleidooi: investeer juist in tijden van laagconjunctuur in mensen die aan de kant staan.Ook Linda Voorman, wethouder bij de gemeente Utrecht, en Joost van Diemen van de sociale dienst Drechtsteden, komen aan het woord. 

> Beluister via Spotify of iTunes 

> Lees meer

Podcast: Onzeker werkenden met Erik Dannenberg

De meeste Nederlanders zijn tevreden over hun leven. Dat blijkt uit een nieuw rapport van het sociaal en cultureel planbureau.

Nederlanders geven gemiddeld een 7,8 aan hun leven als rapportcijfer voor hoe tevreden ze zijn, maar dat doet niet iedereen. Er zijn ook groepen met wie het zowel feitelijk als ook hoe zij dit zelf ervaren best wel slecht gaat. We zien hier met name mensen met wat slechtere inkomens, mensen met minder opleiding. Maar wat ook vooral belangrijk is, is dat het mensen zijn die zelf het gevoel dat ze niet veel kunnen veranderen aan hun leven.

Allard Amelink, moderator van de podcast: ‘Je hoorde een fragment uit het NOS-journaal van 10 september 2019. Annemarie Wennekers van het Sociaal Cultureel Planbureau (SCP) licht het rapport toe dat het SCP die dag gepubliceerd heeft. Het rapport schetst hoe het goed gaat met Nederland, maar dat er ook een groep is die daar onvoldoende van kan mee profiteren, een groep met wie het moeilijk gaat, die geen bestaanszekerheid heeft of in ieder geval niet ervaart. ‘Wat is bestaanszekerheid?’ ‘Waarom heeft niet elke groep in de Nederlandse samenleving dat?’ En vooral ook: ‘Hoe kunnen we dat veranderen?’ In deze podcast gaan we in op deze vragen.

We horen Erik Dannenberg. Erik is voorzitter van Divosa, de vereniging van gemeentelijke directeuren in sociaal domein en hij is lid van de programmaraad van het Programma Sociaal Domein. In deze podcast houdt hij een pleidooi voor meer aandacht voor onzeker werkenden. Hij geeft meerdere oplossingsrichtingen, zoals één inkomensregeling in plaats van een oerwoud aan regelingen.

Hij pleit voor anticyclisch investeren na het voorbeeld van voetbaltrainers. Om inkomstenschommelingen op te vangen pleit hij voor een expansievat. En dat alles om te voorkomen dat mensen ervaren dat ze in een flipperkast zitten. Kortom, je hoort het: beeldspraak genoeg. En naast Erik hoor je verschillende verhalen van gemeenten. Zo vertelt Linda Voortman, wethouder in Utrecht, ons over het digitale huishoudboekje. Kortom we gaan opzoek naar handvatten voor bestaanszekerheid voor iedereen.

Maar allereerst: ‘Wat is bestaanszekerheid eigenlijk?’

Erik Dannenberg: ‘Bestaanszekerheid is een soort garantie dat je rond kunt komen, met je inkomen. Dat je allerlei dingen die op je weg komen goed kunt betalen. Dat zijn ook dingen als eigen risico’s, zorgpremies, kosten die je maakt rond je kinderen, kosten die je maakt om op je werk te kunnen komen. Dus eigenlijk allerlei factoren die je nodig hebt om maatschappelijk te kunnen meedoen. Als je bestaanszekerheid geborgd is dan durf je ook stappen te zetten. Dat zie je heel vaak: Wanneer durven mensen in een relatie te stappen, wanneer durven mensen een opleiding te starten, wanneer durven mensen een huis te kopen. Het is heel normaal dat pas als je voldoende stabiliteit voelt dat je een soort volgende stap durft te nemen. En dat zou ik eigenlijk iedereen gunnen.’

Allard Amelink: Voldoende stabiliteit, zodat je maatschappelijk kan meedoen. Dat is bestaanszekerheid. En zoals Erik zegt: dat gunnen we iedereen. Artikel twintig van de grondwet zegt: “de bestaanszekerheid der bevolking en spreiding van welvaart zijn voorwerpen van zorg der overheid”. Maar niet iedereen heeft dus die bestaanszekerheid. Welke groep in de samenleving is dat, bij wie die bestaanszekerheid zonder druk staat?

Erik schetst de beroepsbevolking van Nederland om dat uit te leggen: ‘Je zou naar onze beroepsbevolking kunnen kijken als een soort lange lijn, een as. Als je helemaal aan de linker kant plaatst de mensen die het minst productief zijn in ons land in economisch opzicht en aan de rechter kant van het lijntje de groep die het meest productief is. Dan zou je kunnen zeggen helemaal aan de linker kant van die lijn daar zitten mensen met een zodanige beperking en handicaps fysieke en mentale psychische situaties zitten en dat iedereen eigenlijk in ons land zegt: die groep moeten we gewoon goed helpen.’

‘Kinderen met ernstige meervoudige beperkingen, volwassenen die een vreselijk ongeluk hebben meegemaakt, een zware vorm van niet-aangeboren hersenletsel of fysiek helemaal in de kreukels zitten. Daar gaat de discussie niet over. Daarvan zeggen wij gewoon: die moeten ontzorgd worden als het gaat om hun zorgvraag en hun inkomen. En daar hebben we wetten voor, zoals de Wajong, de wet langdurige zorg waarbij eigenlijk op huisvesting, op zorg, op alles wat je nodig hebt je gewoon ontzorgt wordt. Daar hebben we weinig discussie over in ons land. Al duizenden jaren lang zijn we een buitengewoon solidaire samenleving en als je ziet ook hoe de relatie tientallen jaren dat altijd in wetgeving is geweest. Dat deel komen we niet aan. Als je dit overkomt in je leven staan we met zijn allen achter je en om je heen en dan regelen we dat voor je.

‘Aan de andere kant van het spectrum zien we juist de meest productieve mensen van ons land. Daar is een zekere schaarste omheen. En de kosten vaak ook veel. Denk aan de mensen die helemaal doorgegroeid zijn in de top van het bankwezen, pensioenfondsen of denk aan topfuncties in de zorg, in de onderwijswereld en in de woningcorporaties. Maar die groep redt zich maatschappelijk wel. Daar gaat vandaag de discussie niet over.’

Allard Amelink: ‘Erik schetst dus de beroepsbevolking als een lijn. Met aan het ene extreme duidelijk zorgbehoevende mensen voor wie wij ook als samenleving zeggen: wij zijn er voor jou. En aan het andere uiteinde mensen die heel schaars zijn op de arbeidsmarkt en ook veel verdienen. Deze twee groepen staan niet centraal in deze podcast. Het gaat over groepen die zich daartussen bevinden. Tussen de groepen zit eigenlijk de grootste groep. Dat zijn de normale Nederlanders die gewoon in de CAO zitten en leuke baan hebben en af en toe eens wisselen van baan.’

Erik: ‘In Nederland hebben wij veel rechten gekoppeld aan het hebben van een vaste baan. Hoe langer je ergens zit, hoe groter je rechten worden. Mensen denken soms wel even na over een verandering en het geeft zeker stabiliteit op veel fronten in het leven. Als er wat mis gaat dan heb je in ieder geval goede rechten. Daar zitten ook wel de goede zzp’ers, de mensen die daar zelf voor gekozen hebben. Of ondernemers die een eigen onderneming zijn gestart en inmiddels heel veel personeel in dienst hebben. Een grosso modo zit in die groep vrij veel bestaanszekerheid, die redden zich wel.’

‘Naarmate je verder naar links gaat zie je eigenlijk de middeninkomens en ook nog verder naar links de lage middeninkomens en in die groep is er best wel veel aan de hand. Vroeger kon je met één salaris je hele gezin onderhouden. Denk aan de postbode die gewoon zijn kinderen naar school kon laten gaan, de huur kon betalen, zijn partner kon onderhouden, eten en drinken kopen, kleding kopen in een gerespecteerd beroep. In dat segment zie je tegenwoordig de gedwongen zzp’ers zitten die haast met zijn tweeën gedwongen pakjes moeten bezorgen om gewoon nog rond te kunnen komen. Als één van de twee een tijdje ziek is dan valt er onmiddellijk zo’n stuk inkomen weg. Dat je niet meer weet hoe je de volgende maand de huur of hypotheek moet betalen. Deze mensen staan veel meer op scherp dan voorheen. We hebben behoorlijk volume, ook vergeleken met andere landen mensen die in een soort van gedwongen zzp constructie zitten of flexbanen, tijdelijke banen. Met die groep is veel meer aan de hand. Daar zie je ook veel meer schuldenproblematiek en armoede, werkende armen dan voorheen. Dus daar hebben we wel serieuze vraagstukken.

Denk aan maaltijdbezorgers die vaak op stukprijs worden betaald of in een flexconstructie zitten. Als deze mensen een keer ondersteboven worden gereden of van de scooter vallen. Hoe is dan hun betaling van de vaste lasten of hun eten of drinken de volgende maand geregeld? Dat zijn hele grote onzekerheden die boven de mensen hun hoofd hangt. Dat hebben we op zo een grote schaal gedaan dat veel meer mensen dan voorheen in de onzekerheid zitten over: hoe ziet mijn leven er over een half jaar uit? Jonge, slimme mensen die vaak ook wel zo starten, maar die ontwikkelen zich daar wel uit. Het gaat me vooral op de groep mensen die gesloten zitten in zo’n flexbestaan.

Allard Amelink: ‘Onzeker werkend of werkende armen dat is de groep waar die bestaanszekerheid het sterkst onder druk staat. Waarom is dat het geval? Erik noemt vier redenen. Allereerst noemde hij net al de flexibilisering van de arbeidsmarkt, wat soms tot gedwongen constructies leidt. De tweede factor is dat juist deze groep enorm last heeft van de economische conjunctuur.

Erik Dannenberg: Als de arbeidsmarkt als een tierelier draait dan gaan werkgevers op zoek naar laag productieve, want ze hebben een gevulde orde portefeuille. De klanten rammen op de deur. Wat is de leeftijd, kan het niet sneller? Tegelijkertijd hebben ze niet voldoende werknemers en gaan ze zeker op zoek naar de lagere productieve en zeg maar: “Oké, wij doen de praktijkopleiding wel, wij zorgen wel dat de mensen het vak leren. Maar alsjeblieft UWV, gemeenten: waar zijn die mensen, want we hebben ze nu nodig”.

‘We zitten nu ook weer in zo’n tijd. De werkgevers staan bijna bij de gevangenis te wachten van wie er nu weer vrij komt. Ze hebben handen nodig om het werk gedaan te krijgen. Maar in een tijd dat het economisch beroert gaat en de spanning is ver. Valt ons bedrijf om of die andere? De laag productieve gaan dan niet jouw bedrijf redden en die groepen zie je dan als eerst ook vaak weer vertrekken.’

‘De overheid aan de andere kant van het spectrum, helemaal links maakt een bijna gelijktijdige beweging. De overheid die zorgt eigenlijk voor mensen die een zware zorgvraag hebben. Dat is evident een overheidstaak, daar is geen discussie over. Zorgorganisaties, begeleiding van gehandicapten dat doen we collectief via de overheid. Als het goed gaat op de arbeidsmarkt dan gaat het ook goed bij de overheid.’

‘Dan stromen de premies en belasting binnen. Dan gaat de overheid steeds meer doen voor die laagproductieve. Als de arbeidsmarkt zich terug trekt van de laagproductieve dan komt er minder geld bij de overheid binnen en die trekt zich gelijktijdig terug van die laagproductieve. Dat zag je dan, dat juist in een economisch langdurige crisis, die we achter ons hebben gelaten gelukkig. Wanneer sloot de overheid de sociale werkvoorziening? Werd de dagbesteding met een kwart gekort. Met de Wajong teruggesnoeid tot alleen maar mensen die nul procent verdienvermogen hebben. Zag je dat de WW duur werd ingekort. ‘

‘Al dit soort maatregelen vielen midden in de crisis. Juist op het moment dat je het niet moet doen. En wanneer zie je altijd dat de overheid weer oprukken met allemaal goede dingen voor de mensen? Dat is als de werkgevers zeggen: ‘we hebben die mensen weer nodig.’ Dan begint de overheid weer met allemaal opleidingsprogramma’s, arbeidsfitprogramma’s, bbl-trajecten. Noem het maar op. En dan ontstaan weer van alles om iedereen weer up running te krijgen.''

Wat je tussen arbeidsmarkt en overheid ziet is wat ik al aanduid als de gordijnbeweging. Dus op het moment dat de arbeidsmarkt oprukt en de laagproductieve weer vraagt, dan rukt de overheid ook weer op en schuift het gordijn dicht en die gaat dan allemaal dingen voor de mensen doen, maar te laat. De werkgevers staan wel te roepen van waar zijn die mensen. De gemeenten en UWV die moeten opnieuw leren kennen, omdat ze jaren lang toch niet geholpen zijn'. Want er was geen perspectief voor hen. Op het moment dat het weer mis gaat op de arbeidsmarkt trekt de overheid zich weer van deze groepen terug in plaats van dat je ze actief houdt.’

Allard Amelink: ‘Deze groep van onzeker werkenden die last hebben van een gebrek aan bestaanszekerheid hebben dus last van de flexibilisering van de arbeidsmarkt. Ze hebben extra last van de economische conjunctuur, wat versterkt wordt door het gordijneffect. Waarin als de arbeidsmarkt terugtrekt, ook de overheid zich terugtrekt. Ten derde zijn er de stijgende lasten.’

Erik Dannenberg: ‘Dat je veel mensen ziet die te maken hebben gehad met een gefixeerd inkomen. Dus nauwelijks gestegen. Cao’s zijn achtergebleven bij de lastenontwikkeling. Ook mensen met een invaliditeitspensioen, die zeiden van: het is nooit meer geïndexeerd. Ik zie mijn zorgkosten oplopen, ik zie mijn huur elk jaar verhoogd worden, ik moet meer zelf bijdragen en premies gaan betalen. De energielasten stijgen, want ik moet van het gas af, maar hoe dan?’

‘Dan roept er ook nog iemand: “We moeten aan de biologische landbouw, want we betalen veel te weinig voor ons voedsel”. Dat zijn zeer gerechtvaardigde vragen. Dat moeten we ook echt doen. Maar de mensen met lage inkomens, wat gefixeerd is en overal oplopende lasten dat jaagt mensen heel erg schrik aan. Mensen die met angst weer naar het najaar kijken van hoe hoog wordt de zorgpremie komend jaar weer. Want hun inkomen stijgt niet mee met dit soort stijgende lasten. Dus dat brengt veel mensen in de problemen. Dat zie je ook echt bij de laag-middeninkomens dat ze onder water zakken en gewoon niet meer rond komen.’

Allard Amelink: ‘En de vierde reden dat deze groep van onzeker werkenden kampt met bestaansonzekerheid is door de manier waarop wij de boel hebben ingericht. We hebben een stelsel gebouwd dat zo complex is dat het haast contraproductief werkt.’

Erik Dannenberg: ‘Wat dacht je van mensen die in september een nieuwe baan vinden? Helemaal trots zijn en hun inkomen gaat een beetje omhoog. Ze denken dat ze zich kunnen verbeteren. Dan komen ze er een jaar of twee jaar later achter dat ze de toeslagen moeten terugbetalen van januari tot en met augustus. Dan zeggen ze van: Ja, maar dat had ik toen toch nodig om van rond te komen?’ Niks mee te maken, zegt de Belastingdienst. Wij rekenen alleen maar in jaren. Oké, ik moet gaan terugbetalen over een tijd dat ik het nodig had.’

‘Mensen kunnen dat soms niet volgen. Dat we het mensen aandoen dat ze in zevenentwintig inkomens ondersteunende maatregelen een weg moeten zien te vinden en dat er acht verschillende definities in ons land bestaan over: ‘Wat is een inkomen? Wat is een partner? Wat is een vermogen? Nou ja, ik moet bijna afgestudeerd fiscalist zijn om dat te snappen.

Allard Amelink: ‘Linda Voortman, wethouder werk en inkomen van de Gemeente Utrecht deelt de analyse van Erik.’

Linda Voortman: ‘Het lijkt soms wel hoe minder geld je hebt, hoe moeilijker het is om het helemaal te organiseren. Wat je allemaal moet overleggen aan papieren. Maar ook waar je allemaal rekening mee moet houden. Als je daar de hele tijd mee bezig bent, we zeggen ook hier weleens: Arm zijn is soms een dagtaak. Omdat je zoveel bezig moet zijn met beroepen doen op allerlei regelingen waar je hulp voor kunt organiseren.’

Erik Dannenberg: ‘En als je één fout maakt dan ben je fraudeur en wordt je ook nog uitgesloten voor hulpverlening. Dat is een relatief hard régime op mensen waarvan je niet kunt vooronderstellen dat ze alles begrijpen wat de overheid in zijn ingewikkeldheid heeft bedacht.’

Allard Amelink: ‘En het is zeker niet zo dat het alleen geldt voor laaggeletterden.’

Erik Dannenberg: ‘Ik was in een zaal waar iemand op het podium'vroeg van: ‘Wie heeft weleens problemen gehad met digitale overheidsloketten en had de neiging om de computer door de kamer te smijten?’ Toen ging bijna de hele zaal staan. Dat was wel heel bijzonder om te zien, want het was alleen een probleem van mensen die laaggeletterd zijn of digibeet. Dat zaaltje vol hoogopgeleide Nederlanders ook gewoon zegt van: Ik kom er gewoon niet uit, ik snap er geen moer meer van.

Allard Amelink: ‘Als je in dat woud van complexe regelingen weet door te dringen, dan leidt het vervolgens tot een heel onrustig en financieel beeld door de maand heen. Joost van Diemen van de sociale dienst van Drechtsteden verteld wat hij in zijn dagelijkse praktijk tegenkomt.’

Joost Van Diemen, gemeente Drechtsteden: ‘Veel klanten van de sociale dienst die hebben sowieso al moeite om rond te komen van hun uitkering. Dat is natuurlijk geen vetpot. Als je daarnaast ook nog parttime werkt en je krijgt ook nog toeslagen, wat per definitie het geval is via de Belastingdienst, dan krijg je in het slechte geval op vier of vijf momenten per maand je inkomen. Je moet een ster zijn in budgetteren wil je dan op enig moment je huur kunnen betalen. Al die bedragen op zich zijn onvoldoende op je huur te kunnen betalen, maar bij elkaar wel. Dus je moet elke keer van die bedragen die je krijgt een klein stukje sparen om op het eind van de maand je huur echt te gaan betalen. Dat is bijna vragen om problemen bij mensen die structureel geld te kort komen.’

Allard Amelink: ‘Het is deze optelsom van factoren die maakt dat je met recht kan spreken van onzeker werkenden. Mensen wiens bestaanszekerheid onder druk staat. Dit is dus een groep die snel in de financiële problemen kan komen.’

Erik Dannenberg: ‘Op dit moment zit één op de vijf Nederlandse huishoudens zwaar in de penarie. Die zitten echt in problematische schulden of ze dreigen daarin af te glijden. Schulden werken ongelofelijk ontwrichtend en geven spanningen in gezinnen over de besteding van het geld. En geven een onveilige situatie vaak ook naar kinderen toe. Geven gezondheidsproblemen. Je kunt je kapot schrikken van al die brieven die je krijgt. Deurwaarders aan de deur. Logisch is dat je dan ook allerlei zorgkosten krijgt. Dokter ik slaap zo slecht, heeft u niet wat voor me? Relaties die onder spanning staan en kapot gaan, jeugdhulpkosten die daardoor oplopen, schuldenwerk dat ongelofelijk ontwrichtend is. De schaarste onderzoeker laat ook zien dat mensen, omdat ze alleen maar gefocust raken op de korte termijn eigenlijk 13 iq-punten gewoon missen in hun functioneren als het gaat over nog adequaat handelen op de lange en minder lange termijn.’

‘Kortom: ‘Hoe kunnen we nou een samenleving zo inrichten dat mensen niet door allerlei foutjes of soms ook door zo onhandige keuzes zo zwaar in de schuldenpenarie terecht komen. Het geheel overziende zijn veel meer mensen in een soort balletje een flipperkast gevoel. Ik ben even hier en dan word ik weer weggetikt en dan moet ik weer daar. Dan word ik daar weer weggetikt en dan moet ik daarheen. Als het misgaat dan zit ik in het putje beneden en zit ik thuis en dan zorgt niemand meer voor me. En dan geeft zo’n onzekerheid. Dat balletje in het flipperkast zijn. Heel veel mensen hebben dat gevoel gekregen in onze flexmaatschappij.’

Allard Amelink: ‘Het pleidooi van Erik is duidelijk. We moeten veel meer aandacht hebben voor deze groep die zich voelt als een balletje in een flipperkast. Maar wat zijn goede oplossingsrichtingen? Waar moeten we aan denken? Erik noemt drie dingen: daarom pleiten we altijd voor bestaanszekerheid, dat is een kernwoord. Gelukkig ook in het hele overleg met de vijf ministeries. Dat woord komt tegenwoordig overal weer terug. Pas als mensen bestaanszekerheid hebben dan durven ze ontwikkelingsstappen te zetten. Als je in een bestaansonzekerheid zit, waar misschien wel een miljoen of anderhalf miljoen mensen in zitten die dus ook niet tot ontwikkeling komen. Als je in een permanente stress situatie zit. Ik weet niet wanneer mijn flexbaan weer afloopt? Ik weet niet wanneer ik word ingehuurd? Ik weet niet of ik de volgende maand wel de huur nog kan betalen, want ik heb blauwe enveloppe van de belastingdienst gekregen en ik moet toeslagen van drie, vier, vijf jaar terug nog betalen? Wat wij zien in de praktijk is dat daardoor mensen zich vasthouden aan een te laag niveau waarop ze zekerheden hebben.’

Allard Amelink: ‘Het huidige stelsel nodigt niet uit om een treedje omhoog te gaan. Een stapje extra te doen.’

Erik Dannenberg: ‘Zodra je één stap omhoog zet op de trap dan komt er iemand aanlopen die een traptrede onder je weghaalt. Doe je weer een stap omhoog dan vervalt weer je oude indicatie. En die mensen denken: ‘Ja, maar bij de volgende laagconjunctuur mikken ze mij er weer uit. Dan heb ik niks meer en moet ik weer helemaal de goot in voordat iemand mij weer helpt. Dan moet ik eerst weer ellende sparen voordat ik een indicatie krijg. Of ze denken: Het gaat in mijn persoonlijke leven mis en dan moet ik weer een treedje terug kunnen doen en dat kan dan niet meer.’

Allard Amelink: ‘Joost van Diemen van de sociale dienst Drechtsteden onderschrijft dit punt volledig.’

Joost van Diemen: ‘Als een klant aan het werk is zeggen ze van: Nou, dan wordt de uitkering beëindigd.’ Dan krijgen ze een brief voor de beëindiging van de uitkering en daarmee hebben wij eigenlijk niets meer met die klant te maken. Mocht het nou verkeerd gaan en dat kan natuurlijk heel erg goed. En je valt terug dan is het niet zo dat je dan kan bellen naar de contactpersoon bij de sociale dienst en zegt van: “Het is even verkeerd gegaan, help me even en zorg dat de uitkering weer hervat wordt”. Dan moet je weer heel het circus in. Zorg ervoor dat als mensen het lef hebben om die stap voorwaarts te nemen dat je een vangnet hebt waar ze kunnen worden opgevangen op het moment dat het even niet gaat. Dan zorg je ervoor dat mensen ook meer durf gaan tonen.’

Erik Dannenberg: ‘En dat moeten we nog veel beter inregelen dan nu. Het liefst traploos regelbaar. Dan moeten we af van talloze deelregelingentjes voor bepaalde omlijsten doelgroepjes. Alle mensen die om wat voor een reden dan ook, het maakt niet uit: een vorm van verlaagde of verwisselende productiviteit kennen. Dat je een hele veilige structuur aanbrengt.’

Allard Amelink: ‘Het tweede punt in het pleidooi van Erik is dat we iets moeten doen aan het gordijneffect. Dat was het effect waarin in tijden van hoogconjunctuur er een hoop vraag is naar arbeidskrachten. Dus ook mensen met een lage arbeidsproductiviteit. Tegelijkertijd de overheid ook heel erg investeert in die mensen. Terwijl in economisch slechte tijden de arbeidsmarkt minder vraag heeft naar mensen met een lagere productiviteit. En ook de overheid zich terugtrekt en niet investeert in deze mensen. En uiteraard heeft Erik daar een mooie beeldspraak bij.’

Erik Dannenberg: ‘Nou, wat kunnen arbeidsmarkt en overheid nou leren van het voetbal? Het voetbal traint altijd de bankzitters. Er staan elf mensen in het veld en op de bank zit een zwaar getrainde groep die meedoet, die onderdeel is van het team gebeuren. En als er één uitvalt dan kun je er zo weer eentje in laten stromen die helemaal getraind klaarstaat. Terwijl overheid en arbeidsmarkt mensen langdurig ongetraind naast de kant laat zitten. En op het moment dat ze weer nodig zijn dan moeten ze eerst naar de training gestuurd worden voordat ze het veld in kunnen. En dan is niet handig.’

‘Dus het pleidooi van Divosa en gelukkig ook van vele andere is: train nou de mensen in een tijd van laagconjunctuur, dan juist moet je van alles doen aan scholing, training, stageplaatsen, vrijwilligerswerk, dagbesteding, noem het maar op. En op het moment dat die economie weer aantrekt en mensen wel weer gevraagd worden in een bepaalde baancontext, dan kun je zeggen van: Oké, hier staan getrainde mensen klaar die kunnen zo het veld in. Dat betekent anticyclisch investeren.’

‘We zijn buitengewoon verheugd dat er eindelijk plannen bestaan om ook juist in de tijden van laagconjunctuur fors te gaan investeren. Maar dat moet ook gewoon over opleiden, trainen enzovoorts. Heel veel sectoren kennen wel sectorfondsen, maar die zijn gericht op de eigen sector. Maarja, in een zeer snel veranderde en internationaliserende samenleving moet je niet sectoraal denken, maar moet je juist denken in: Welke banen zijn aan het verdwijnen? Welke banen zijn aan het verschijnen?’

‘Als mensen het werk uitgeraakt zijn voor banen die in de toekomst niet meer bestaan. Nu straks de cv-ketel monteurs, maar straks hebben we warmtepomp monteurs nodig. Dus als je zorgt dat mensen klaar staan voor de nieuwe type banen die straks weer aan het ontstaan zijn, dan kunnen we sleutelen aan robotarmen enz. Train mensen voor verschijnbanen en dat moet je juist ook veel doen in de laagconjunctuurtijd. Dat zou een uitdaging zijn. Dat is politiek lastig, want welke verbind personen, welk kabinet gaat geld klaarleggen voor de opvolgers? Terwijl er nu ook allerlei interessante dingen te doen zijn en maatschappelijk gescoord kan worden. En daarin hoop je gewoon dat we echt kijken naar de lange lijnen en dus niet een soort gordijnbeweging, waardoor je een hele schichtige bevolking creëert. Van ja: nu heb ik al een voorziening en ondersteuning construct wat mij helpt. Maar straks gaven ze het toch weer af. Als het mis gaat hebben ze toch weer een mooi verhaal en dan wordt het weer afgeschaft.’

Allard Amelink: ‘Eén inkomensregeling die mensen echt stimuleert om zichzelf te ontwikkelen en een stapje hogerop te gaan, omdat ze de zekerheid hebben dat ze een stapje terug mogen zetten als dat nodig is. Anticyclisch investeren, dus juist als de economie slecht is investeren in de ontwikkeling van mensen. En als derde pleit Erik voor nieuwe manieren om financieel overzicht te creëren.’

Erik Dannenberg: ‘Al die schommeling van toeslagen op het moment dat mensen wisselende inkomens hebben, dat je dat gewoon opvangt. Denk aan dat rode keteltje bij de vv-ketel. Zo’n expansievat wat de drukverschillen opvangt.’

Allard Amelink: ‘In de Drechtsteden hier doen ze een experiment mee. Joost Van Diemen vertelt hierover.’

Joost van Diemen: ‘Met de methode richten we ons op het inkomen uit arbeid en de bijstandsuitkering. En vragen we eigenlijk aan die klant: ‘Gaat u ermee akkoord dat het salaris wat u verdient naar de sociale dienst wordt overgemaakt?’ En dan is de klant op de eerste van de maand altijd zeker van een volledige uitkering. En als de situatie zo is dat we niet alle inkomsten hoeven te verrekenen, dan krijgt hij een week of twee weken later een nabetaling. Het is denk ik een hele goede methode om de klant beter ten dienst te zijn en een beter overzicht te geven over zijn financiën.’

Allard Amelink: ‘De sociale dienst figureert hier dus eigenlijk als expansievat voor de inkomsten uit uitkering en werk. Dat is nuttig voor de persoon in casus, maar het heeft ook een breder doel.’

Joost van Diemen: ‘In eerste instantie ontzorgen van de groep die nu werkt. Maar ook het sentiment om rond parttime werken te doorbreken.’

Allard Amelink: Want dat sentiment moet niet zijn dat werk alleen maar gedoe oplevert, maar dat het loont. Een twee voorbeeld van een expansievat, zoals Erik dat noemt is Utrecht die het huishoudboekje heeft. Henna Snelhoven, gebruiker van het huishoudboekje en Linda Voortman vertellen erover.’

Linda Voortman: ‘Je ziet vaak dat mensen te maken hebben met verschillende inkomstenbronnen. Bijvoorbeeld loon of een uitkeringen en dan verschillende toeslagen. Op verschillende momenten komen die binnen, maar ook de uitgaven gaan op verschillende momenten eruit. Mensen die net rond kunne, komen die kunnen daar soms last van hebben. Dat dat dus niet goed op elkaar aansluit. En wat we daarin doen, het huishoudboekje. Eigenlijk zegt de naam het al. Het is een app op je iPad of telefoon waarmee je een overzicht kunt hebben over je financiën en waarbij we er dus voor zorgen, wij nemen de betaling van de rekeningen over.’

Henna Snelhoven: ‘Toen hebben ze gezegd dat ze je dan helpen met je huur. Zij betalen dus je huur, gas en licht, water en je ziektekosten. Die vier grote posten worden dan door het huishoudboekje betaald. Dus dan heb je geen zorgen meer. Het geld wat er overblijft, want het is je eigen geld dat storten ze naar je rekening toe. En daar moet ik de rest van mijn andere dingetjes mee betalen. Dat heet dan leefgeld.’

Linda Voortman: ‘Ja, de doelgroep van deze regeling dat zijn mensen die geen schulden hebben. Verder kan dat heel ruim zijn. Het kunnen verschillende mensen zijn. Wat wij terug horen is dat ze veel meer rust ervaren. En dat ze daardoor ook ruimte in hun hoofd hebben om aan andere dingen te denken. Als jij de hele dag alleen maar bezig bent met van: ‘Kan ik alles wel betalen, kan ik alle rekeningen die binnen komen wel betalen?’ Dan heb je geen tijd om ook nog na te denken over: ‘Hoe kom ik aan het werk?’ of ‘hoe gaat het met de andere leden in mijn gezin?’ Mijn kinderen bijvoorbeeld. Dus juist daarvoor is dit ook heel erg belangrijk. We zien dat ook al met mensen die schulden hebben. Dat die ook vaak heel veel stress hebben. En dus ook soms door die stress beslissingen nemen die op ons dom over kunnen komen. Dit zijn de mensen die daar nog niet inzitten. Maar die door de stress, als je ze niet helpt wel in de schulden kunnen komen. Wij willen nou juist voorkomen dat mensen in de problemen komen. Met dit huishoudboekje voorkomen we erger.’

Henna Snelhoven: ‘Ik ben hier zo dankbaar voor, want er zijn zoveel mensen in deze situatie, zoals ik die werken en te weinig verdienen. En ik wil niet, zoals ik op de televisie al die probleemmensen zie die duizenden schulden hebben. Dat had ik dus niet. Ik had geen schulden. Ik heb op tijd aan de bel getrokken.’

Linda Voortman: ‘Het mooiste zou zijn natuurlijk zijn dat je naar een systeem gaat waarbij dit eigenlijk niet nodig zou zijn. Dat je mensen niet zo afhankelijk zijn van al die verschillende toeslagen. Dat mensen netto meer overhouden om te besteden. Maar tot die tijd vind ik dit een goede oplossing.’

Podcast #2: Het Utrechtse sturingsmodel

Wat is het sturingsmodel van de gemeente Utrecht in het sociaal domein? Daarover gaat deze podcast, die verschijnt in onze nieuwe serie 'Zaaigoed: inspiratie voor het sociaal domein'. Utrecht bedacht haar sturingsmodel op basis van partnerschap. In de podcastlichten Toke Tom (directeur Sociaal domein gemeente Utrecht) en Souhail Chaghouani (business controller) de leidende principes toe voor het leveren van hulp en zorg in Utrecht.

> Beluister via Spotify of iTunes

Het Utrechtse sturingsmodel

Podcast #3: Hoe sociaal kun je zijn?

De beste zorg voor iedereen en dat voor minder geld. Dat lijkt wel eens de zoektocht in het sociaal domein. Hoe ga je om met de spanning tussen budget, toegankelijkheid en kwaliteit? In deze podcast staat de vraag centraal: hoe sociaal kun je zijn? Onder meer Henk Procé, lid van de directie van de gemeente Zwolle, en Kees Vendrik, voormalig lid Algemene Rekenkamer en nu hoofdeconoom van de Triodosbank, laten in deze podcast hun licht hierover schijnen.

Beluister via Spotify of iTunes

Hoe sociaal kun je zijn?

Podcast #4: Wicked problems en de Amsterdamse aanpak gezond gewicht

Hoe herken je wicked problems? Wat kun je eraan doen? En waarom komen ze bij uitstek voor in het sociaal domein? Anouk Op ’t Veld van adviesbureau AEF en docent aan de Erasmus Universiteit vertelt over de theorie en aanpak van wicked problems. Karen den Hertog van GGD Amsterdam gaat in op hoe Amsterdam omgaat met een wicked problem als de aanpak van overgewicht van jeugdigen.

> Beluister via Spotify of iTunes

> Lees meer

Podcast #5: Transformatie van de gemeenteraad

Dat gemeenten er sinds de transformatie taken bij hebben gekregen, is bekend. Dat vraagt om een herbezinning op de rol van de gemeenteraad. Hoe verhouden college en raad zich op een goede manier tot elkaar? Hoe voorkom je dat je als gemeenteraad in de technische details gezogen wordt? En hoe ga je om met incidenten? Aan het woord komen Maarten van Ooijen (wethouder gemeente Utrecht), Onno de Zwart (directeur Verwey-Jonker Instituut), Meke Smeulders (burgerraadslid in Almere) en Jan Dirk Pruim (griffier in Almere).

> Beluister via Spotify of iTunes

> Lees meer

Transformatie van de gemeenteraad

Transitie en transformatie. Eigenlijk zijn deze twee termen ook van toepassing op de gemeenteraad en het sociaal domein. Er zijn een hele berg taken naar de gemeente overgekomen en dat vraagt ook iets nieuws van gemeenteraden: een herbezinning op de rol van de raad.

Hoe verhouden college en raad zich op een goede manier tot elkaar? Hoe voorkom je als gemeenteraad dat je helemaal in de technische details gezogen wordt? En hoe ga je om met incidenten en individuele gevallen? Over deze vragen en nog meer gaat deze podcast.

We horen verhalen van verschillende gemeenten. Zoals Maarten van Ooijen, voormalig raadslid en nu wethouder in Utrecht. En Onno Zwart, voormalig directeur maatschappelijke ondersteuning in Rotterdam. En we horen Meke Smulders, burgerraadslid in Almere en Jan Dirk Pruim, griffier in Almere. Jan Dirk is ook in deze hoedanigheid betrokken bij het Programma Sociaal Domein.

Gezamenlijk hebben zij het over de transformatie van de gemeenteraad.
Eén van de doelen van de decentralisaties was het dichter bij de burger organiseren van de zorg en dat is goed gelukt zegt Onno Zwart, voormalig directeur Welzijn, Zorg en Jeugdhulp in Rotterdam en nu directeur van het Verwey-Jonker instituut.

Onno Zwart: 'Kijk, het mooie denk ik van de hele decentralisaties is denk ik dat, de enorme betrokkenheid van maatschappij en politiek erbij. Ik was zelf voor een verhaaltje wat ik aan het houden was, dacht ik: laat ik eens terugkijken van hoeveel vragen er in de gemeenteraad over zorg gesteld werden tien jaar geleden, vijf jaar geleden en nu. Dan zie in ieder geval in de Rotterdamse gemeente een enorme stijging van het aantal vragen wat er over het brede domein van zorg gesteld worden.'

Allard Amelink: 'Er is veel meer aandacht voor het onderwerp en tegelijkertijd maakt de complexiteit van het onderwerp het eigenlijk heel lastig om er een goed publiek gesprek over te hebben. Zo vertelt Jan Dirk Pruim, griffier in Almere.

Jan Dirk Pruim: 'Het is ook wel een beetje het paradoxale, met de decentralisaties hebben we juist de mens weer dichter bij de politiek gebracht. Maar zie je toch, ze hebben het systeem zo ingewikkeld gemaakt dat dat alleen door hele grote organisaties en complexe systemen weer kan worden uitgevoerd. En het jammerlijke van decentralisaties sociale domein in mijn beleving, naar mijn persoonlijke oordeel is dat we het toch te technocratisch hebben ingestoken.'

'Ik kan me herinneren dat ik een discussie had met raadsleden en de portefeuillehouder, een paar jaar voor de invoering van de decentralisaties. Ik zei van: goh, dit is hét moment om in het kader van mens en maatschappij, visies toe te voeren voor wat een type gemeente willen we nu zijn en hoe ziet dat het sociaal domein eruit? En wat vraagt dat dan van ons? Ik weet nog heel goed, het antwoord was van: ja, maar daar hebben we helemaal geen tijd voor. We zijn nu bezig met een operatie, ik heb een managementopdracht. Want 1 januari 2015 moet het klaar zijn.'

Allard Amelink: 'En hierdoor is dus ook het gesprek in de raad heel vaak technisch van aard. Maarten van oOijen, voormalig raadslid in Utrecht en nu wethouder Maatschappelijke ondersteuning welzijn, Jeugd en Jeugdhulp in Utrecht ziet de neiging.'

Maarten van Ooijen: 'Dat je dus discussies krijgt over meer technocratisch kanten. Je zou zelfs kunnen zeggen: soms beleidsachtige discussies. Bijvoorbeeld over de manier waarop wij sturen, en doe je dat met prestatieafspraken of niet? Dat zou je in zekere zin ook in een debat kunnen noemen wat je voert met beleidsmensen en wat je voert met, ik zou maar zeggen op theoretisch niveau, op een ambtelijk niveau. Waar je de goede keuze in moet maken, maar die niet persé politiek moet zijn. Maar die worden dus politiek. Ik vind dat dat een discussie was, dat model Simons dat Utrecht heeft, dat is allemaal veel te vrij en die aanbieders mogen maar doen en die krijgen zoveel vrijheid.'

'Ik heb een keer een motie zelf nog aan mijn broek gekregen van : 'u, moet nu eens een keer dit gaan eisen en de wachtlijst mag nooit meer langer zijn dan zeven dagen en als dat wel zo is dan moet u meteen met de, nou ja op de stoep staan en straffen uitdelen'. Dus daar ging het debat eigenlijk over. Vind ik toch een tamelijk theoretische kwestie, namelijk in welke mate moet je met prestatieafspraken sturen of doe je dat niet? Of doe je het op een andere manier. Maar dat wordt dus op een gegeven moment in het politieke debat getrokken.'

Allard Amelink: Meke Smulders, fractieassistent en burgerraadslid namens D66 in Almere herkent deze neiging tot technische discussie. Het ziet dat het ook wel licht aan de type vragen die aan de raad gesteld wordt.

Meke Smulders: 'Omdat je vaak als raad stukken krijgt, dat is een nieuwe verordening die moet vastgesteld worden door de raad. Dus op moment dat jij verordening voor je hebt, die is al juridisch en heel technisch en dan is de neiging om daarover te spreken.'

Allard Amelink: 'En als je niet uitkijkt gaat de raad dan op een stoel zitten van het college of van de ambtenarij. Terwijl dat niet de positie is die de raad niet zou moeten innemen.'

Dirk Jan Pruim: In de Almeerse situatie: tweeduizend ambtenaren en daar hebben we heel veel wethouders voor. Die kunnen dat voortreffelijk doen met heel veel adviesorganen daaromheen. Dat moet je niet aan de raad vragen. Wat je wel aan de raad moet vragen is richting geven. Welke stad wil je zijn? Welke stad droom je van?

Meke Smulders: 'Wat willen wij nu als gemeente Almere in onze stad met zorg, willen wij heel preventief gaan werken. Zetten we daar volledig op in? Hoe willen we curatief werken? Hoe willen we zorgen dat de bewoner de zorg op een bepaalde manier beleeft? Daar wil je het over hebben met elkaar en die visie is van verschillende partijen ook heel verschillend. Dus dat is een hele interessante discussie.'

Allard Amelink: 'Oké, je wilt dus al raad het gesprek voeren over waar de stad heen moet. De gemeenteraad moet niet op de stoel van de ambtenarij gaan zitten en zich met allerlei kleine details bemoeien, maar de grote lijnen voor ogen houden. Welke beweging moet ingezet worden om de raad meer in die positie te krijgen?'

Pruim: 'Ik hoop dat de gemeente, de gemeenteraad zich ontwikkelt naar veel meer een kwalitatief sturend instituut. En wat ik daarmee bedoel is minder naar de cijfers kijken, dus minder dit kwantitatieve controle. En als je over het sociaal domein spreekt spreek je heel snel over monitoren, maar juist in de stad, met de instelling in de stad die hun doen en met de mensen die het raakt. Daarmee in gesprek gaan. En op basis van een aantal gesprekken de kwesties die ze ontmoeten, die terugbrengen in de raad en daar politiek van maken. En dat past ook wel in wat ik noem: de herontdekking van de gemeenteraad, het instituut gemeenteraad.'

'Ik denk dat de gemeenteraad in de toekomst veel meer, ik noem dat naar het lege midden moeten trekken. Want in het midden van een samenleving is een lege plek ontstaat. De gemeenteraad is in dat gemeentehuis gezogen en is daar inderdaad alleen maar aan het vergaderen en de wethouder aan het overhoren als je niet oppast.'

'En daarnaast best goede dingen aan het doen die gewoon moeten gebeuren. Begrotingen vaststellen en noem maar op, verordeningen vaststellen. Maar die zou veel meer terug moeten in het hart van de samenleving.'

Allard Amelink: 'Niet opgesloten zitten in het stadhuis, vooral bezig zijn met het overhoren van het college. Maar terug naar het hart van de samenleving, naar het lege midden. Daar signalen oppikken uit die samenleving waar het heen moet met de stad. Wat goed gaat en wat niet goed gaat. Maarten van Ooijen verteld over hoe hij toen hij raadslid was opereerde.'

'Kijk, als raadslid ben je vooral, je bent eigenlijk benieuwd naar twee dingen: ten eerste gaat het goed? Als het goed gaat in algemene zin. Dat blijkt uit wat je uit rapportages ziet, uit visitaties die er goed uitziet, wat je aan beleidsstukken krijgt, dan moet je gevoel komen van: hé, ja het gaat eigenlijk best wel goed.
Tweede is: krijg je slechte signalen? En dat zijn vaak inwoners die gaan bellen en zeggen: 'ik heb nou toch iets aan mijn broek hangen, hiermee moet je echt aan de slag. Dit kan niet waar zijn'. Daar duik je op in. En zo'n casus gaan ook echt een les zijn van hoe het anders moet. Die kan misschien wel iets blootleggen wat er in het systeem in een veel breder perspectief ook mis gaat.'

Allard Amelink: 'Het is dus belangrijk dat de gemeenteraad signalen uit de samenleving kan oppikken, het is een manier om een vinger aan de pols te houden. En tegelijkertijd moet je wel scherp zijn op die signalen.'

Onno Zwart: 'Ik denk een focus op individuele casussen heeft twee kanten. Enerzijds kunnen individuele voorbeelden van Rotterdam echt een voorbeeld zijn voor een structurele vraag die naar voren komt, een nieuwe ontwikkeling. Zeg maar het beeld van de kanarie is de kolenmijn die merkte als de luchtkwaliteit slecht werd. Tegelijkertijd is het ook een enorme stroom van kleine vragen van mensen die verschillende belevingen hebben. En net als iedereen verschillende belevingen kan hebben waarbij soms het niet per se iets zegt, soms ook gewoon een aanbieder of een belangenorganisatie of wie dan ook iets wil pushen en denkt van: als ik dat nou bij een raad naar voren breng dan gaat hij of zij ermee lopen.'

Meke Smulders: 'Wat we daar in Almere voor gevonden hebben is een kwalitatieve sturing. Wat we daar in doen is dat een instantie, bij ons is dat Windesheim. Die gaat praten met mensen die zorg krijgen. En wat ze neerschrijven is de ervaring van die mensen, dus hoe ervaren jullie nu de zorg. Dat krijgen terug gerapporteerd op de natuurlijk niet individueel met naam en niveau, maar gewoon deze persoon heeft dit gezegde met een geveerde naam. En dan krijg je toch een hele goede indruk hoe de zorg ervaren wordt door de inwoners.'

Allard Amelink: 'En Almere is bezig om te kijken of deze manier van kwalitatieve toetsing verder uitgebreid kan worden.'

Pruim: 'We proberen met een aantal raadsleden in gesprek te komen met mensen die in de stad gebruik maken van een gemeentelijke regeling of gebruik moeten maken van een gemeentelijke regeling, en waar ze dan tegenaan lopen. Dus heel kwetsbaar hebben we aan de voorkant al ontdekt, want ja dat gestigmatiseerd zijn en soms worden mensen al heel veel bevraagd. Maar vanuit hetzelfde principe als je acht, negen, tien mensen spreekt dan heb je als raadslid houvast wat de problemen zijn bij de uitvoering van de regeling. Waar de mensen tegenaan lopen, misschien loop je wel tegen iets heel anders aan dan waar de regeling voor bedoeld is, maar dat geef je een input om uiteindelijk die controle en via de controle weer de richting geeft voor de uitspraken over de colleges te kunnen doen.'

Allard Amelink: 'Dit is één van de twee manieren waarop de Almeerse gemeenteraad probeert naar dat lege midden te bewegen. Door dus op een geaggregeerd niveau een gesprek aan te gaan met gebruikers van voorzieningen en daarnaast te kijken of het ook mogelijk is om met groepen raadsleden in gesprek te gaan met gebruikers van voorzieningen.En ten tweede is er een beweging ingezet om te kijken of de raad op een andere manier in gesprek kan gaan met partners in de stad.'

Pruim: 'Wij doen dat bijvoorbeeld in het kader van hoe wat dat noemen: horizontale verantwoording. Dat zijn verantwoording gesprekken met instellingen die in het publieke domein van de gemeente actief zijn. Dus dat zijn onderwijsinstellingen, zorginstellingen en er is een bibliotheek, woningbouwcorporaties. Daar worden gesprekken gevoerd met een aantal raadsleden en de bestuurder en de voorzitter van de raad van toezicht of een lid van het raad van toezicht. En die gesprekken zijn niet de gesprekken die we in een raad gewend zijn om te voeren, want dat is als je niet oppast heel snel het verhoren van portefeuillehouders.'

'Het overhoren moet ik zeggen van portefeuillehouders, maar dat zijn veel meer de kwalitatieve gesprekken van: wat draagt u nou bij aan de kwaliteit van sociaal klimaat in Almere? Waar staat u voor de komende jaren? Wat zijn uw belemmeringen? Hoe is uw positie in de keten? Waar ziet u kansen? Waar ziet u bedreigingen? Nou, dat helpt raadsleden ook in het terugkoppelen in de raad om langzaam maar zeker te bouwen aan de stad.'

Meke Smulders: 'We hebben onlangs een verantwoording gehad van het Leger des Heils. Ik heb toen ook gezegd: ja, het gaat mij niet om verantwoording, maar het gaat mij erom dat het Leger des Heils heel mooi een aantal maatschappelijke issues die veel breder zijn dan het leger heeft neergelegd. En we hebben als raad, als geheel hebben we gezegd: we willen dit de politiek aan gaan leren. Dus heel mooi dat we dit technisch uitgelegd krijgen, maar we willen politiek praten over deze maatschappelijke thema's. En dat is het mooi van het horizontale verantwoorden.'

Allard Amelink: 'Oké, de raad maakt die beweging naar het lege midden toe, gaat op een ander manier is gesprek met partners in de stad, op een andere manier in gesprek met inwoners. Wat dan wel nodig is is dat het democratische proces ook zo ingericht is dat die kennis relevant is. Meke Smulders gaf al eerder aan als je technische vragen voorgelegd krijg je ook technische discussies. Het is dus ook belangrijk dat de juiste vragen gesteld worden.'

Meke Smulders: 'Ja, als je als raad de rapportage sociaal domein bespreekt of je bespreekt de rapportage jeugd of je krijgt een nieuwe verordening. Dan ga je het natuurlijk hebben over trends, van: hoe kan het nu zo zijn dat wij in de vorige periode honderd mensen in die en die jeugdhulp vorm hadden en nu honderdtwintig?  Ja, dat is interessant trends, maar het zegt niet alles. En met een verordening ga je inderdaad heel gauw technisch van: ja, waarom hebben jullie dit model gekozen en niet dat, want Eindhoven kiest voor dit en Amsterdam voor dat.
En dat is allemaal veel minder relevant. Als je aan de raad een stuk voorlegt waarin maatschappelijke thema's worden neergelegd en waarbij gevraagd wordt: heb het daar nou eens met elkaar over en kijk nou is naar wat partners in de stad ervaren, omdat dat daar zit wel heel veel kennis en ervaring die je kunt gebruiken. Kijk nou eens naar wat inwoners ervaren, want daar zijn we voor. Dus dat is hele belangrijke informatie. Als je die krijgt ga je het daarover hebben.

Pruim: 'Wat ik altijd hoop en wat ik bij colleges helaas nooit aantref is de vraag aan een raadslid: mag ik een van u weten wat u vindt dat er leeft over deze kwestie in onze mooie stad? Meestal gebeurt het omgekeerde als het daar naartoe gaat, dan zegt een wethouder: ik weet veel beter wat er in de stad leeft, laat staan die groep ambtenaren die in de stad actief is. En toch is het heel jammer, omdat juist dat representatieve je daarmee een accent kunt geven.
En laten we wel zijn: ik denk dat de representatieve lokale democratie van heel veel waarde is en kan zijn voor de kwaliteit van een gemeente, van een stad. Volgens mij moet colleges bij zichzelf ook beginnen van: wat is onze bijdrage aan die lokale representatieve democratie? En dat is een andere houding van: ik heb een heel goed idee of ik ben bezig met de uitwerking van het coalitieakkoord, ik heb een heel goed voorstel en hoe haal ik dat voorstel erdoor?'

Allard Amelink: 'Ook de manier waarom technische sessie of raadsinformatiebijeenkomsten zijn belegd werken soms dit in de hand.'

Pruim: 'En dan gaan we uitleggen wat er allemaal gebeurd en wat je allemaal ziet. En alle ontwikkeling nemen wij door. En ik vind dat goed, moet je vooral mee doorgaan. Maar de vraag is of dat wel echt het goede gesprek oplevert. Vaak is het toch een soort half college. In plaats van dat het echt een goed gesprek is. Waar zitten nu echt de zorgen van die raadsleden? Dat komt daar niet boven tafel. Maar ze krijgen we de ontwikkeling mee dat het aantal mensen dat voor gespecialiseerde begeleiding krijgt het tot nu toe elk kwartaal is gestegen. Maar dan moet je het ook nog wel zo insteken dat het meer is dan een soort lezing van een ambtenaar en misschien de bestuurder van de welzijnsorganisatie of de zorg op de buurtteam organisatie aan de tien woordvoerders.'

Allard Amelink: 'De taal is daarin ook belangrijk.'

Pruim: 'Als je de stukken in het sociaal domein ziet dan is het: wij nemen u mee, wij schetsen voor u de rode draad, hoeverre kunt u zich vinden in de aanpassingen die het college denkt voor staat, welke aandachtspunten gaat u het college meegeven. Dat is natuurlijk een hele valse, als je een beleidsnoot daarvoor legt. Grootse meeslepend waar ambtenaren tientallen met instellingen jaren aan gewerkt hebben met een portefeuillehouder. En dan zeg je in het slot nog: Geeft hij ons nog wat aandachtspunten mee.'

Allard Amelink: 'Om de juiste discussie te krijgen in de gemeenteraad moet dus de juist vraag aan de raad gesteld worden. Het zijn zowel vragen die vanuit de raad zelf komen als vanuit het college. En die vragen moeten dus niet pas helemaal op het eind gesteld worden. Waardoor de raad voor voldongen feiten geplaatst wordt. In dit geval heeft de raad eigenlijk maar twee opties. Of het hele stuk naar de prullenbak verwijzen of het maar accepteren op hoofdlijnen en wat kleine detailtjes aanpassen. Daarbij kent het twee scenario misschien aanlokkelijker dan het eerste, maar dat heeft ook zeker zijn risico's.'

Pruim: 'Het risico is dat de focus op kleine zaken het ook mogelijk maakt dat als je het negatief formuleert, dat grote keuzes eigenlijk relatief niet echt gediscussieerd afwaard worden. Dat lijkt leuk, maar tegelijkertijd voelen weinig mensen zich er echt eigenaar van. Dus als er later dan toch een discussie over ontstaat of dat er geld tekort is dan is het niet zo dat de raad zegt: hier hebben we met elkaar ook echt voor gekozen en we snappen dat dat gevolgen kan hebben en dat denk ik wat je volgens mij wel zou willen.'

Allard Amelink: 'En dus is het belangrijk dat processen op de juiste manier worden ingericht.'


Pruim: 'Mijn advies aan de raad is: u moet zorgen dat u veel meer aan de voorkant en aan de achterkant komt. En dat betekent dat je in het midden anders moet vastpakken. Aan de voorkant scherper definiëren: waarom zit ik in de raad, wat wil ik? En er ook toe uitgedaagd en uitgenodigd zijn, dus ook zo'n vraag: wat leeft er in de stad, mag ik dat van u even weten? Richtinggevende uitspraken doen. Van het college, het proces in die tussenfase, die tussenruimte dat anders vastpakken ook faciliteren. Dan de raad niet tot een hindermacht met detaillering en schriftelijke vragen, moties en zo te laten verwoorden. Ook de discipline van de raad om daar zich niet tot toe te laten verleiden.
En naar het slot: die controle verantwoording en dan niet alleen even met een onderzoekje te doen. Dat doe je dan met de stad samen en dat kun je zeker met de nieuwe technologie heel goed doen. Met mensen uit de stad, want er leven geen domme mensen. En de vrees: já, dan komt heel Almere er naartoe is natuurlijk ook onzin, want er zijn heel veel mensen die gewoon met andere dingen bezig zijn. Maar er zit allemaal vakkennis, die ga je er ook gewoon voor benutten. Dus als je met de Wmo of huishoudelijke hulp. Pak mensen erbij die ermee in aanraking zijn geweest. En er zitten hele goede mensen bij die én ervaring, én kennistheorie meebrengen wat je helpt in je controleren en verantwoordelijke rol als raadslid.'

Allard Amelink: 'Dat anders vasthouden in het midden is wel een uitdaging. We hadden het net al even over wat een individuele casus kan betekenis in politieke zin en hoe je daarmee moet omgaan. Incidenten hebben dat nog veel sterker in zich. Als er een incident plaatsvindt is er heel snel een oproep om het beleid om te gooien, weer een nieuwe koers in te slaan, scherper te sturen, er bovenop te zitten.'

'Het spannende voor raadsleden is om aan het begin die goede richtingslijnen wat uit te zetten. En dan niet op een half jaar ook terug te komen. Het lastige voor politiek is en raadsleden ook dat de neiging om te kijken naar heel goed is. Je hebt bijna een incidente kleine zaak, daar kijk je naar door een rietje. En het is de kunst om ook als je het doet, dat kan heel waardevol zijn dat sturen op strategische details kan weleens veel belangrijk zijn op een hoofdlijn. Maar om toch gedwongen te zijn om even weer terug naar een bepaalde abstractie, even naar een hoofdlijn te gaan om misschien dan weer te kijken naar dat strategische detail.'

Allard Amelink: 'En bij incidenten geldt ook zeker dat rolzuiverheid belangrijk is.'

Zwart: 'Wat is de rol van inspecties van het Wmo toezicht? En wat is de rol van de gemeenteraad? En waar liggen die rollen? En als het bijvoorbeeld vergelijkt met: hoe gaan ziekenhuizen om met het rapporteren van incidenten? Dan is dat veel meer in een soort professioneel kwaliteitssysteem en veel minder, alleen bij grote excessen cequ zaken die onvoldoende (als er dan weer ergens een soort deal is gemaakt waar mensen niks over mogen zeggen). Maar voor de rest is het de inspectie die toezicht op de professionele kwaliteit. En het is zelden dat het leidt tot een politiek debat.
En op lokaal niveau, en zeker in Rotterdam zie je dat denk ik op zich vanuit oprechte betrokkenheid de raad er stevig bovenop zit. Tegelijkertijd is de vraag van: moet dat je rol zijn? En dan kan het een andere niveau zijn, dat je zegt van: ik wordt erover geïnformeerd of als er een inspectierapport is wat een structurele misstand aan bod komt of wat iets over het opdrachtgeverschap zegt. Natuurlijk moet je daar het gesprek over voeren, maar je ziet ook wel de wens van in ieder geval een deel van de raad om er heel direct bovenop te zitten. En in een raad, ongeacht welke samenstelling de coalitie heeft toch behoorlijk gepolitiseerd is roept dat veel discussie op. En is ook het risico dat professionals heel erg gaan kijken: Wat is de formele rol in de gemeente van deze? En wat is de formele rol van de gemeenteraad? Moet ik informatie wel delen of hoef ik dat wettelijk helemaal niet?'

Allard Amelink: 'En op die manier bij je juist terug bij af, creëer je niet een sfeer van horizontaal vertrouwen waarin instellingen en gemeenteraad met elkaar kunnen denken wat het beste is voor de stad. Maar ben je juist in een soort controleverhouding terecht gekomen waarin je er scherp bovenop zit en er een soort angst bestaat voor de ander.'

'Als er een gevoel is van: hé, het gaat best wel goed en nou ja eigenlijk die signalen worden opgepakt en daar kan ik ook mee komen en daar wordt ook goed op gereageerd of geanticipeerd. Dan is het resultaat daarvan dat je vertrouwen opbouwt over en weer. Dat je vertrouwen krijgt in wat de raad aanbrengt en dat je niet denkt: acht, die raadsleden… dan krijg ik weer de ombudsman op visite.
En allemaal ook andersom. Dat het bestuur niet alleen maar technocratisch bezig is om zo weinig mogelijk risico te lopen. Maar echt bezig is met de ontwikkelingen is de stad en daar het vuur uit de sloffen loopt. Dan wekt dat op een gegeven moment vertrouwen op en dan kom je in een sfeer van vertrouwen waarin je dus ook weer met nieuwe voorstellen kan komen die heel vrijstrekkend zijn.

Allard Amelink: 'En wat is verder nog mogelijk om deze beweging mogelijk te maken? Het gaat ook over discipline, discipline van de raad zelf die zelf scherp in de gaten houdt of wel het juiste gesprek gevoerd wordt, of dingen wel op het juiste abstractieniveau plaatsvinden.

'En volgens mij zitten daar colleges voor en er zit een als de raad het voor zichzelf goed geregeld heeft een griffi voor. Ik vind als je een goede ambtelijke ondersteuning inricht en dat is meer dan een vergader ondersteuning dan vraagt dat in advies functie, dan verplicht dat in adviesfunctie om raadsleden daar in te spiegelen. En dat is niet kwestie van beeldend bezig zijn, maar dat is een kwestie van je als raadslid maximaal je persoonlijke ontplooiing tot uitdrukking te kunnen brengen. Als je daar zeg maar bet ijzer in het vuur kunt leggen, dus je kunt iets meer naar kwalitatieve gesprekken toe gaan, je kunt iets meer dat luisteren verhogen, je kun iets van die nieuwe technologie toepassen waar je de kennisontsluiting en die stad vergemakkelijkt, je kunt iets meer mobiliseren van die kennis in de stad ook in de klassieke lijnen dan is mijn overtuiging dat daar echt een switch in staat in je kwaliteit van je samenleving van je stad.
Dat representatieve model dat natuurlijk inhoudt: controle en verandering, maar vanuit die controle en veranderingen ook richtinggevende uitspraken doet en dat misschien niet meer alleen voor de gemeente en het college doet, maar ook naar woningbouwcorporaties en ook naar gezondheidsinstellingen. Kijk, als er een ziekenhuis sluit is de gemeente opeens wel in paniek. Als we het over onderwijs willen hebben roept de wethouder: daar gaat het niet over, alleen over onderwijshuisvesting.´ Nee, mijn stelling is: beste raad, u gaat erover ook al staat er in geen enkele wet dat u daar een eind verantwoordelijkheid over heeft. Toch gaat u erover, omdat de kwaliteit die gemeente de stad raakt. Dat vraagt een iets andere benadering dan een klassieke benadering in een vergaderzaal.´

Allard Amelink: 'In deze podcast zijn we ingegaan op wat de decentralisaties vragen van de gemeenten. Welke transformatie is daarin nodig? We hebben het gehad over het belang van de juiste voeding van de gemeenteraad. Die moeten weer meer terug naar dat lege midden. We hebben het gehad over manieren waarop je dat op een goede manier kan inrichten. Almere had voorbeelden van de horizontale verantwoording. En ook de gesprekken met inwoners. We hebben het gehad over hoe belangrijk processen zijn. Dat de gemeenteraad veel meer aan de voorkant moet kunnen zitten in plaats van dat ze voor voldongen feiten wordt geplaatst.'

'We gehad over: wat je erin stopt komt eruit. Dus het juiste abstractieniveau van discussie wordt ook gevormd door de juiste vraag te stellen. En het gaat dus ook over discipline hebben we gehoord. De raad moet zelf scherp zijn op zijn positie en rol, maar daar is ook de givi voor. Maar ook het college en de ambtenarij hebben daar een belangrijke rol in. Stel de juiste vragen, zodat de raad goed in positie komt op het juiste moment. Hoe zien jouw gemeenten de verhouding tussen college en raad? Is daar ook telkens de neiging om naar een technische discussie te bewegen? Of lukt het daar wel om op het juiste abstractieniveau de discussie te voeren? En op welke manier ontwikkelt de gemeenteraad zich in jouw gemeente?'

'We zijn benieuwd naar je verhaal. Laat het ons weten via de website van het programma sociaal domein of via de whatsapp. Voor nu dank voor het luisteren.'

Podcast #6: Hoe bouwen we een sterke sociale basis voor ouderen?

Het was een van de doelen van de decentralisatie van het sociaal domein: het versterken van de beweging dat ouderen langer thuis kunnen blijven wonen. Dat vraagt onder andere om een sterke sociale basis voor ouderen. Maar hoe bouwen we die? In deze podcast schetst Marieke Kleiboer, directeur maatschappelijke ondersteuning bij het ministerie van VWS, de maatschappelijke context van deze discussie. Jenny Zwijnenburg en Sjef van der Klein, beide sociaal werker van het jaar, vertellen vanuit hun praktijkervaring wat de beste bouwstenen zijn voor een solide sociale basis. En Frans Swinkels en Jeroen Verburg, van respectievelijk gemeente Tilburg en gemeente Dronten, vertellen hoe hun gemeenten werken aan een sterke sociale basis voor ouderen.

> Beluister de podcast op Spotify of Itunes

> Lees meer

Podcast #6: Hoe bouwen we een sterke sociale basis voor ouderen?

Podcast #7: Structureel maatwerk

Wat is structureel maatwerk? En waarom loopt ons sociaal systeem vast als we het niet inzetten? In deze podcast pleit Pieter Hilhorst, projectleider van het traject CityDeal Eenvoudig Maatwerk, voor meer vertrouwen in sociaal werkers. De achterliggende gedachte: door professionals een groter mandaat te geven en meer samen te werken, voorkomen we verkokering. Kwetsbare mensen zijn dan sneller geholpen.

> Beluister via Spotify of iTunes

> Lees meer

Podcast #7: Structureel maatwerk

Je luistert naar Zaaigoed onderdeel van het Programma Sociaal Domein, inspiratie voor en door Rijk en gemeenten.

We starten deze podcast met een fragment uit de Britse komedieserie ‘Little Britain’. Een moeder komt bij de dokter, omdat haar dochtertjes amandelen geknipt moeten worden.

(Geluidsfragment: Tonsils)

Moeder: ‘Danielle is gonna have her tonsils removed.’

Receptioniste: ‘I’ve got it down for double hip replacement.’

Moeder: ‘Oh no, well there must be some kind of mistake.’

Receptioniste: ‘The pad says no.’

Moeder: ‘Well there must be some other Danielle Lloyd.’

Receptioniste: ‘The pad says no. There is only one Danielle Lloyd on the system. Do you want the double hip replacement or not?’

Moeder: ‘No, clearly she doesn’t need it.’

Receptioniste: ‘Well, she may do in the future.’

Moeder: ‘Look, we saw Dr. Phillips last week and she definitely has an appointment for today to have her tonsils removed.’

Receptioniste: ‘Computer says no.’

De systeemwereld en de leefwereld van mensen, ze sluiten niet altijd aan. En op die momenten waarop de computer of dat de systemen nee zeggen, is er maatwerk nodig. Daar gaan we deze podcast op in. Wat is er nodig om op een goede manier maatwerk in te zetten? Maar vooral ook, hoe kun je van incidentele oplossingen op een individueel niveau naar structurele aanpassingen van het systeem. We horen Pieter Hilhorst, projectleider CityDeal Eenvoudig Maatwerk en we horen verhalen uit Groningen en Dronten. Allemaal over de vraag; hoe komen we tot structureel maatwerk?

Allereerst, waarom is maatwerk nodig? We horen Pieter Hilhorst, publicist en onderzoeker op het gebied van het Sociaal Domein en lid van de Raad van Volksgezondheid en Samenleving. Hij is projectleider CityDeal Eenvoudig Maatwerk, een van de trajecten van het programma Sociaal Domein.

Hilhorst: ‘Maatwerk is eigenlijk nodig omdat de levens van mensen niet passen in de systemen die we als samenleving hebben bedacht. De ombudsman, de nationale ombudsman, die heeft een keer een rapport geschreven die dat eigenlijk prachtig samenvat. En die zegt: ‘wie niet past loopt vast’. Dus als je een enkelvoudig probleem hebt, je bent alleen maar werkeloos of je hebt een scootmobiel nodig, dan word je eigenlijk heel vaak heel goed geholpen. Maar zodra je een probleem hebt wat op verschillende levensdomeinen is, dus er is en een probleem met dat je werkeloos bent en daar is onveiligheid in het gezin en daar is verslavingsproblematiek, dan moet je bij verschillende organisaties zijn. En de afstemming tussen die organisaties loopt vaak moeilijk. En daar heb je maatwerk voor nodig.’

En wat is maatwerk dan?

Hilhorst: ‘Maatwerk omschrijf ik als oplossingen die schuren met de reguliere werkwijze. Dus als er een uitzondering gemaakt moet worden, dan is het maatwerk. Je bent soms ook heel lang bezig met het zoeken van een oplossing omdat een bepaald aanbod niet beschikbaar is. Dan botst het niet met de regels, maar [dan ben je lang bezig] omdat er een wachtlijst is of omdat het heel moeilijk is om precies ondersteuning te vinden die past bij een gezin. Maar ik zou zeggen, maatwerk is het als er een uitzondering moet worden gemaakt op de regels.’

Pieter geeft een voorbeeld.

Hilhorst: ‘In Tilburg was er een gezin waarin de veiligheid van de kinderen niet kon worden gegarandeerd. Er was een man die woonde met zijn volwassen zoon uit zijn eerdere huwelijk en drie kleine kinderen uit zijn tweede huwelijk. Die oudste zoon had PTSS, en was eigenlijk een bedreiging voor de goede sfeer en veiligheid in het gezin. Dus de hulpverlener had gezegd, eigenlijk is de oplossing duidelijk, die jongen moet ergens anders heen. Nou die is vierentwintig, maar die krijgt niet zomaar een urgentiebewijs omdat andere jongens van vierentwintig ook niet zomaar een urgentiebewijs krijgen. Dus als de urgentiecommissie alleen maar kijkt naar het geval van die ene volwassen jongen, dan zeggen ze hij krijgt geen urgentiebewijs. Maar als je breder kijkt, en je kijkt naar het hele systeem dan zeg je; ja maar wacht eens even als deze ene jongen niet een woning krijgt, dan betekent dat de vader met de drie andere kinderen eigenlijk niet voor een veilig thuis kan zorgen. En dan zouden die drie kinderen misschien wel uit huis geplaatst moeten worden.’

Lonneke Kamp van de gemeente Groningen herkent de noodzaak tot maatwerk. Lonneke was betrokken bij de oprichting van de Taskforce voor de zestien tot zevenentwintig. Deze Taskforce richt zich speciaal op jongeren in die leeftijd die vastlopen in de reguliere systemen.

Kamp: ‘Het is een groep waar heel veel gebeurt. Ze gaan een overstap maken naar zelfstandigheid, ze komen vanuit een thuissituatie, ze volgen onderwijs. Als het goed is volgen ze de ‘koninklijke route’ en halen ze een diploma, en gaan ze dan de arbeidsmarkt op. Maar we zien wel heel vaak dat deze groep die ‘koninklijke route’ niet zo goed bewandelt. En als dat thuis verder allemaal in orde is, is dat ook vaak tijdelijk en is dat niet zo erg. Maar we zien heel vaak dat het vanuit de thuissituatie moeilijk is, dat ze geen stabiele basis hebben. En als er dan ook andere problematiek, bijvoorbeeld psychische problematiek of andere gezondheidsproblematiek, speelt is het vaak heel erg moeilijk voor ze om op een goede manier in de samenleving te landen.’

Om die reden is de Taskforce zestien-zevenentwintig ingericht, om over levensdomeinen heen jongeren te helpen die klem zijn komen te zitten en niet binnen het systeem geholpen kunnen worden. Lonneke vertelt hoe de Taskforce in zijn werk gaat.

Kamp: ‘Iedereen die met jongeren werkt, of je nou extern of intern binnen de gemeente werkt en je werkt met jongeren, en je komt ergens niet uit of je loopt ergens tegenaan, dan kan je een casus indienen bij de Taskforce. Die behandelen wij, én we komen altijd diezelfde dag met een oplossing. Dus wij hebben een mandaat om een oplossing te forceren. Bij voorkeur natuurlijk niet al te veel afwijkend van het gemeentelijk beleid, maar als het nodig is dan is het nodig.’

En wie zitten er in die Taskforce?

Kamp: ‘Dat is bijvoorbeeld even het hoofd Leerlingzaken, dat is de vertegenwoordiger van inkomensdienstverlening, daar dit werk bij, daar zit iemand vanuit jeugd bij. En afgezien van dat compacte kernteam, hebben we ook verschillende afspraken voor een soort hotlines naar buiten toe. Dus als iets zeer specialistisch is, dan hebben we een aantal mensen die we daar kunnen bevragen. Zoals vanuit de schuldhulpverlening.’

Bij de Taskforce komen hele diverse vragen binnen.

Kamp: ‘En dat varieert echt van wegwijsvragen, dat mensen de weg niet weten, tot zeer complexe casuïstiek waar alles al is gedaan. Waar gewoon het leven van een jongeren veel hulpverlening is, maar waar ze uiteindelijk gewoon niet uitkomen. Dus wij doen een poging om iedereen te helpen en te ondersteunen, dat zijn soms hele eenvoudige oplossingen waarvan we denken; hoezo wist jij dat niet? Daar hebben we gewoon een gemeentelijke afdeling voor. Tot aan oplossingen die eigenlijk niet kunnen, maar die we toch gaan doen omdat het beter is voor de jongeren.’

Lonneke heeft een voorbeeld van een complexe casus van een jongen die in 5 havo zat, en met wie in principe zelf niet veel mis was, maar hij woonde wel bij zijn moeder die een verslaafde prostituee was en zijn vader zat in de gevangenis.

Kamp: ‘De eerste keer dat hij bij ons kwam was het de vraag welke, ze wou hem dus eigenlijk uit huis halen, intramurale jeugdaanbieder dan voor hem het meest geschikt was. Waarvan wij dachten, waarom moet je zo’n kind eigenlijk in een jeugdinstelling zetten terwijl er met hem niet zo veel mis is. Zou je deze jongen niet veel beter, ook met het oog op de toekomst dat hij graag wil studeren, ergens in een kamer in de stad zetten. In Groningen heb je natuurlijk heel veel studentenhuizen, dus dan zit hij vast in een omgeving waar hij toch naartoe wil. Waar hij misschien wel voor het eerst van zijn leven de juiste impulsen heeft. Ook meedraait in een gewoon normaal studentenleven.’

Daarvoor zou hij wel financiële steun moeten hebben in de vorm van een uitkering. Maar die kon hij pas krijgen vanaf zijn achttiende, omdat tot die tijd zijn ouders werden geacht voor hem te zorgen. Maar zijn ouders konden juist niet voor hem zorgen.

Kamp: ‘Toen hebben wij gezocht naar mazen in de wet. Als er sprake is van een crisissituatie of een noodsituatie, dan heb je als gemeente de bevoegdheid om te zorgen dat je die oplost. Dus dat hebben wij gedaan. Wij hebben deze jongen toch een bijstandsuitkering verstrekt, daardoor kon hij een kamer huren. Wij hebben daar wel een heel aantal uren ambulante begeleiding naast gezet, om ervoor te zorgen dat al die dingen die geregeld moeten worden, die normaal eigenlijk ouders hun kinderen horen aan te leren, dat die jongen daar ondersteuning bij kreeg. Die jongen gaat studeren, heeft diploma’s gehaald, verder niks aan de hand. En dan komt weer de volgende belangrijke stap richting arbeidsmarkt.’

Op dat moment had hij gedeeltelijk inkomen uit werk, gedeeltelijk uit WW en gedeeltelijk aangevuld vanuit de sociale dienst. En omdat al die partijen op verschillende momenten uitbetalen, zorgde dat voor veel financiële onzekerheid.

Kamp: ‘Wij hebben uiteindelijk geregeld dat alle geldstromen vanuit verschillende punten naar één plek binnenkwamen, en vanuit daar in één keer zijn vaste lasten in ieder geval betaald werden. Dan hoef je daar geen zorgen om te maken, dan is er een soort rust in de basis noemen wij dat dan. Als die financiën en die vaste lasten betaald zijn, dan is er ook weer ruimte in je hoofd om na te kunnen denken over andere zaken die belangrijk zijn. En dan zie je dat er vaak helemaal niet zo heel veel nodig is, gewoon dat even regelen van die drie geldstromen die anders niet goed bij elkaar komen. Hoe ingewikkeld is dat? Eigenlijk niet. Maar dat maakt wel het enorme verschil in het leven van zo’n jongen.’

De Taskforce die Lonneke beschrijft en de casus die ze noemt, zijn een mooi voorbeeld van hoe je vanuit de leefwereld denkt in plaats vanuit de systeemwereld. Toch blijven deze oplossing en andere, incidentele oplossingen op een individuele casus.

Kamp: ‘Ik denk wat heel spannend is, is om ervoor te zorgen dat al die incidentele bypasses die we verzinnen en die iedere gemeente verzint dat dat geen incidenten blijven. Je kunt het wiel iedere keer weer opnieuw willen uitvinden of voor ieder brandje een fantastisch out of the box oplossing gaan verzinnen, maar feitelijk ontstaan die problemen omdat het systeem structureel niet goed functioneert. Dus kan je dan niet beter investeren in dat systeem structureel passender maken voor al die mensen die niet binnen de lijntjes vallen.’

In de CityDeal Eenvoudig Maatwerk wordt geprobeerd deze slag te maken. Van incidenteel naar structureel. Pieter Hilhorst vertelt over de drie orders van leren die nodig zijn om deze slag te maken.

Hilhorst: ‘Wat we bij de CityDeal Eenvoudig Maatwerk, dus bij het samenwerkingsverband van acht gemeenten: Amsterdam, Den Haag, Delft, Leeuwarden, Tilburg, Utrecht, Zaanstad en Enschede en vier ministeries, wat we eigenlijk doen is kijken wat nou nodig is zodat sociaal werkers kunnen doen wat nodig is. En dan zie je dus dat ze moeten, en dat is eigenlijk de eerste opgave, ze moeten leren om maatwerk te maken en het te legitimeren. Want als je een uitzondering vraagt bij een instantie dan moet je legitimeren, dan moet je beargumenteren waarom die uitzondering gerechtvaardigd is. Dus dat is de eerste stap, nou zie je eigenlijk in die acht gemeenten dat daar enorme vooruitgang is. Er zijn veel vaker doorbraaktafels of escalatietafels waar ingewikkelde gevallen worden besproken en waarvan gedacht wordt hoe kunnen we hier een doorbraak forceren. Maar dan heb je eigenlijk heel veel overleg over steeds individuele casussen. Dus dit leren maatwerk te maken en legitimeren noemen wij eerste orde leren.

Maar eigenlijk moet je ook kijken hoe kan je nou als organisatie uitvoerende professionals makkelijker in staat stellen om maatwerk te maken. Nou dat noemen wij tweede orde leren. Een heel goed instrument daarvoor is het maatwerkbudget. Dat betekent dat uitvoerende professionals over kleine bedragen zelfstandig kunnen beslissen. Soms zijn er kleine bedragen nodig om een doorbraak te forceren in de hulpverlening. Dat kan zijn dat er geld moet worden gekregen voor het aanvragen van een urgentiebewijs, het kan zijn dat er geld moet zijn voor een ID-bewijs. Daar kan je soms wel bijzondere bijstand voor aanvragen, maar soms is dat ook ingewikkeld en het duurt lang. Dus het zou prettig zijn als professionals gewoon kunnen zeggen van; hé, dit is nodig. Soms kan het ook nog zijn hé deze moeder kan het best aan, maar dan moet zij omdat zij haar kinderen op twee verschillende plekken heeft, moet zij eigenlijk een bakfiets hebben. Zelfs zulke beslissingen zouden uitvoerende professionals kunnen nemen met zo’n maatwerkbudget. Dat helpt, dus dat is eigenlijk tweede orde leren omdat de organisatie heeft gezegd, wij begrijpen dat er meer vrijheid van handelen voor de professionals nodig is. Dus krijgen teams een budget waar ze zelf over kunnen beslissen.

De derde orde van leren is dus dat je het samenspel van organisaties in de verzorgingsstaat verbetert. Als iemand een briefadres nodig heeft, de dienstbaas registratiepersonen wijst zeven van de acht briefadressen af. Dus dan moet je eigenlijk nadenken, hoe is de verhouding tussen het werk van een sociaal wijkteam en een dienstbaas registratiepersonen. Of hoe is de verhouding tussen het sociaal wijkteam en de dienstwerk en inkomen binnen een gemeente. Als je afspraken maakt daarover, dat noemen we derde orde leren. Ik kan een voorbeeld noemen uit Utrecht waarin ze zeiden; we merken eigenlijk dat er vrij vaak mensen bij buurtteams aankloppen die geen inkomen hebben. Dus die hebben een uitkering gehad of die zijn afgewezen voor een uitkering, maar die hebben geen inkomen. Die wachten een tijdje en komen daarna, omdat ze de huur niet kunnen betalen of omdat ze op straat dreigen te worden gezet, komen terecht bij het buurtteam. Als je op een gegeven moment het patroon ziet dat dat vaak het geval is kan je eigenlijk zeggen; wat is er nou eigenlijk aan de hand bij de dienst werk en inkomen dat er op zo’n moment niet de koppeling wordt gemaakt met sociaal wijkteam. Die kunnen zeggen; hé, wij zijn eigenlijk van plan om hier een uitkering te stoppen of we zijn van plan om een korting toe te voegen omdat er niet aan de voorwaarden is voldaan, wat weten jullie van dit gezin is er iets aan de hand? Alleen al het maken van zo’n afspraak voorkomt dat je mensen eerst in een uitkering stopt, bijvoorbeeld mensen die vanwege psychische problematiek niet hebben voldaan aan verplichtingen dat ze zoveel keer moeten solliciteren of dat ze een briefje moeten in leveren. Dan zeg je van; hé is die bekend? En dan hebben ze van hé daar is eigenlijk bekend, daar is eigenlijk veel meer aan de hand. En dan kan het sociaal wijkteam erop afgaan. Het maken van die afspraken op het niveau tussen organisaties dat is derde orde leren en dat is het moeilijkste wat er is, want dat betekent dat mensen hun routine moeten veranderen. En het veranderen van een routine binnen een organisatie is heel lastig.’

Drie orders van leren dus. De eerste orde, het niveau van de individuele casus, dat is professionals doorbraken aanrijken of ze helpen dat te ontwikkelen en vervolgens te onderbouwen waarom de uitzondering in dat geval nodig is. De tweede orde is leren op het niveau van de organisatie door te kijken naar de patronen. Welke hulpmiddelen kunnen ontwikkeld worden om maatwerk makkelijker te maken? En tot slot leren op de derde orde. Hoe kan het samenspel met andere partijen of tussen verschillende afdelingen verbeterd worden?

Hilhorst: ‘Wat we met de CityDeal Eenvoudig Maatwerk hebben gedaan is dat we eigenlijk een platvorm hebben gemaakt en dat heet Platform Mooi Maatwerk, waarin mensen delen wanneer het gelukt is om een doorbraak te forceren in een situatie die vastzit. En waarom is dat nou zo van belang? Omdat als professionals iets doen wat een uitzondering op een regel vergt dan zijn ze geneigd om dat voor zichzelf te houden. Omdat je denkt ik heb eigenlijk iets gedaan wat niet mag of wat een uitzondering is, dat is misschien een beetje tricky. Maar je moet dat juist delen, want de oplossing die jij hebt gevonden kan een inspiratiebron zijn voor uitvoerende professionals voor sociale werkers in een andere stad. Dus wat wij doen met het Platform Mooi Maatwerk dat een onderdeel is van één sociaal domein is eigenlijk deel nou je mooie voorbeelden. Want dat betekent dat als er iemand is in Enschede die tegen eenzelfde probleem aanloopt waarin er een urgentiebewijs nodig is maar het niet gegeven wordt. Die zegt van; ja, maar wacht even, in Tilburg hebben we een vergelijkbaar geval gehad en daar kon het wel.’

Daarmee is het Platform dus eigenlijk een inspiratiebron op die eerste orde van leren.

Hilhorst: ‘Wat dat platform ook doet is dat het leert over welke typen kwesties eigenlijk het vaakst een doorbraak nodig is. En dan zie je bijvoorbeeld nu al op het Platform dat er heel veel doorbraken zijn waarin eigenlijk een gebrek aan woonruimte de crux is. Dus dan zie je van hé maar wacht even als dat de crux is, dan moeten we misschien op het niveau van beleid iets doen aan de beschikbaarheid van woningen. Misschien moeten we wel zoals de gemeente Amsterdam heeft gezegd een aantal urgentiebewijzen ter beschikking stellen van de sociaal werkers die zelf mogen beslissen in dit geval geven wij een urgentiebewijs. Daarmee heb je eigenlijk gemandateerd vertrouwen, dus je hebt de beslissingsmacht van de commissie urgentiebewijzen gemandateerd overgedragen aan de sociaal werker in de uitvoer. Dat soort mechanismen gebeurt eigenlijk nog weinig, maar dat is wel de logica, als je dat niet doet dan ga je een voor een steeds tegen gevallen aan zitten waarin het niet past en waarin mensen vastlopen en waarin je met heel veel moeite een doorbraak moet forceren. En je moet het dus naar een hoger niveau tillen om te kijken of je op het tweede orde niveau of op het derde orde niveau een verandering tot stand kan brengen.’

In de gemeente Dronten is er een goed voorbeeld van zo’n structurele les op het niveau van de organisatie. Ouders van kinderen met autisme beklaagde zich dat zij steeds vastliepen in het systeem. Ze hadden een duidelijke vraag aan de gemeente. We horen Eline Maas, beleidsmedewerker jeugd.

Maas: ‘Een persoon die het hele gezin, het kind én de ouders, zou kunnen begeleiden tot aan het achttiende jaar of het liefst nog langer die heel gespecialiseerd was in autisme en die wist wat het betekende om als ouders een gezin te draaien waarin een of meerdere kinderen een complexe vorm van autisme hebben. En de behoefte van de ouders was met name om gehoord te worden zodat ze niet iedere keer opnieuw hun verhaal moesten doen bij een toegangsmedewerker van de gemeente. Ze ook niet iedere keer ieder jaar opnieuw weer een aanvraag moesten doen voor een bepaalde vorm van hulp.’

Daarom is de gemeente Dronten begonnen met de levensloopbegeleider, een professional met specialistische expertise op het gebied van autisme en met een groot mandaat op verschillende levensterreinen.

Maas: ‘Een gezin heeft hun eigen levensloopbegeleider en het is gebleken dat een levensloopbegeleider gaat om tafel zitten met het gezin en betrekt daar ook mensen bij vanuit het netwerk. Er wordt ook de hulpverlening betrokken die al in het gezin zit. Dus zo kom je met zijn allen, alle mensen die met het gezin in contact staan of die nauw betrokken zijn bij het gezin, kom je tot een plan. Het plan gaat in op de hele levensloop tot ongeveer het drieëntwintigste jaar. En dan wordt specifiek gekeken naar wat is de situatie nu, waar is behoefte aan, wat heeft het gezin nodig, hoe kunnen ouders leren om om te gaan met de leefwereld van hun kind. Daarbij worden ouders ondersteund. Er wordt kennis overgedragen, dus de levensloopregisseur helpt ook bij het aangeven wat belangrijke fases zijn waarin ouders en kinderen of jongeren al kunnen verwachten dat het iets moeilijker zal worden. Bijvoorbeeld de overgang van basisonderwijs naar voortgezet onderwijs of de overgang van onderwijs naar werk of als bijvoorbeeld een dierbare overlijdt. Daar worden ouders en jongeren op voorbereid dat dat een moeilijkere periode is. En het plan gaat eigenlijk in op alle fases die gaan komen en specifiek op wat er nu op dit moment nodig is en waar we met zijn allen naartoe gaan werken. En aan de hand daarvan besluit de levensloopregisseur wat er nodig is voor dit gezin, dus welke hulp bijvoorbeeld. Dat kan jeugdhulp zijn, maar dat kan ook hulp vanuit het voorveld zijn of dat kan ook hulp van een vrijwilliger zijn. Het kan van alles zijn, maar de levensloopregisseur heeft mandaat vanuit de gemeente Dronten om te bepalen wat er nodig is. Als het plan er eenmaal is dan begint de hulp die ingezet wordt, en dan verdwijnt de levensloopregisseur meer naar de achtergrond. Gezinnen kunnen altijd contact opnemen met hun levensloopregisseur als er iets is of als de hulp niet lekker loopt. Dan gaat de levensloopregisseur kijken opnieuw wat er nodig is of de regisseur gaat in contact met de aanbieder. Maar mocht het allemaal goed lopen, dan komt de levensloopregisseur pas weer in beeld op het moment dat de volgende verandering eraan komt. Dus bijvoorbeeld als het kind waarvoor het plan nu wordt gemaakt voor het gezin over drie jaar van de basisschool naar het voortgezet onderwijs gaat. Dan gaat in principe de levensloopregisseur samen met het gezin over twee en een half jaar kijken van: deze verandering komt eraan, hoe is het gelopen de afgelopen tijd, hier gaan jullie naartoe, wat hebben jullie nodig om de verandering goed door te komen?’

Een professional met een duidelijke expertise die meerjarig meeloopt met een gezin om dat te helpen alle knelpunten dat het tegenkomt op te lossen. Een prachtige vorm van maatwerk. Essentieel daarbij is dat Dronten deze levensloopbegeleider ook een sterk mandaat gegeven heeft.

Hilhorst: ‘Omdat je daarmee de hele opgave om maatwerk te bieden op de schouders legt van de uitvoerende professionals. En dat betekent dat zij eigenlijk de strijdigheid tussen systemen moeten gaan oplossen. En ik denk dat je ook juist op het niveau van de regels iets moet veranderen, dat je iets moet veranderen zoals bij sommige sociale diensten gebeurt dat mensen getraind worden waarbij de sociale dienst mensen getraind worden in de omgekeerde toets om te kijken wat is nou de oorspronkelijke bedoeling, en past dat erin. In plaats van gelijk te kijken is dit is de regel dus wordt het afgewezen. Dus je moet begrijpen waar het vandaan komt, omdat dan zie je hé daar zijn een strijdigheid van regels en op dat niveau moet we er wat aan doen.’

We moeten dus niet al onze kaarten zetten op de professional die in zijn eentje slimme oplossingen moet bedenken in een heel woud van tegenstrijdige regels. Je moet ook als organisatie de structuren mee laten veranderen. Dat is die tweede orde van leren. Het kan onder meer door, zoals in het voorbeeld Dronten, professionals een heel groot mandaat te geven. Maar voor veel organisaties is dat ook spannend.

Hilhorst: ‘Omdat ze toch bang zijn van ja maar als wij sociaal werkers de beslissingsmacht geven over het toekennen van bijzondere bijstand, dan zullen ze dat wel altijd doen. Dus er is een soort van wantrouwen dat daarmee eigenlijk veel te vaak gebruik van wordt gemaakt. In de praktijk zie je dat eigenlijk sociaal werkers helemaal niet zo kwistig zijn. Als je gaat kijken naar de maatwerkbudgetten die ter beschikking zijn gesteld van sociaal werkers in sociale wijkteams dan zie je dat ze eerder minder uitgeven dan dat er begroot is dan dat ze meer uitgeven dan dat er begroot is. Dus dat wantrouwen is eigenlijk helemaal niet terecht en bovendien kan je voor dat wantrouwen andere mechanismen organiseren. Bijvoorbeeld door te zeggen van hé we kijken is naar tien van de toekenningen die je hebt gedaan, past dat nou binnen de regels of niet? Dus je geeft eerst vrijheid en daarna is er een verantwoording bij. En dan zou je heel veel dingen veel sneller en veel makkelijker kunnen regelen.’

En om uiteindelijk ook op die derde orde van leren te kunnen leren heb je allereerst het bewustzijn nodig dat je maar een stukje van de werkelijkheid ziet.

Kamp: ‘Je hebt allemaal een ander stukje van die puzzel van een mens waar je het voor doet in handen. Een zorgaanbieder weet hele andere dingen over die cliënt dan dat jij weet als medewerker van de sociale dienst bijvoorbeeld. En juist die complexiteit in die levens maakt dat je alleen maar tot de beste oplossing kan komen als je zo veel mogelijk van die puzzelstukjes in handen hebt. En die kun je dus niet in je eentje verzamelen, die zul je met elkaar moeten verzamelen. En pas als je al die puzzelstukjes bij elkaar legt dan wordt het ineens een plaatje.’

Hilhorst: ‘De eerste stap is ook al dat je een contactpersoon hebt bij elke organisatie. En dat je niet gewoon bij de belastingtelefoon komt, maar dat je weet waar je bij de belastingdienst moet zijn. Bijvoorbeeld bij de Stellateams die juist gaan over multiprobleemgevallen. Dus de weg kennen is een van de eerste wegen die maakt dat je een meer gewillig oor vindt. En daarna kan je zeggen ja maar wacht eens even er zijn sommige dingen die eigenlijk van belang zijn. We moeten eigenlijk een afspraak maken over hoe we met bepaalde dingen omgaan.’

Het vraagt dus bewustzijn van het feit dat je maar één stukje van de puzzel hebt en het gaat erom dat je ook iets verder kijkt dan alleen maar je eigen puzzelstukje. En op dat laatste gebied schort er ook wel iets op de manier waarop wij de publieke sector hebben ingericht.

Hilhorst: ‘Elke organisatie in de verzorgingsstaat heeft een bepaalde taak. Dat zal ik wel even zeggen dat is new public management, dat is een beleidstheorie die eigenlijk veel meer zegt; we moeten veel bedrijfsmatiger werken. Dus dat betekent dat we zeggen van hé je krijgt een bepaalde taak en die taak moet je zo goed mogelijk uitvoeren. Het effect van dat bedrijfsmatig werken is dat je vaak regels gaat stellen van wie er van jouw dienstverlening gebruik mag maken. Dus als je de schuldhulpverlening wil dat er meer mensen die hun schuldhulptraject beginnen ook dat afmaken, dan is het eerste wat je doet is mensen niet toelaten tot het schuldhulptraject waarvan je de kans groot is dat ze het niet afmaken. Dus mensen met een verslaving, mensen met een onduidelijke woonsituatie worden dan niet toegelaten tot de schuldhulpverlening. Maar als je ze niet toelaat tot de schuldhulpverlening betekent niet dat de problemen daarmee opgelost zijn. Dus is de kans groter dat die mensen uit hun huis worden gezet, dat ze in een opvang terecht komen, dat ze nog in de verslavingszorg zitten met schulden. Dus eigenlijk die manier van het organiseren van de publieke sector waarin iedereen een kerntaak krijgt en daarop wordt afgerekend verstrekt de verkokering.’

Een vraag om maatwerk begint bijna altijd individueel maar we moeten hem niet op dat niveau blijven beantwoorden. Dat is een opdracht aan alle partijen die actief zijn in het sociaal domein en ook echt iets wat door gemeenten en het Rijk moet worden opgepakt.

Hilhorst: ‘In het algemeen kan je zeggen dat er in Nederland eigenlijk te veel overlegd wordt over individuele ingewikkelde casuïstiek en te weinig geleerd wordt van de patronen daarin. En te weinig conclusies over wordt getrokken over wat het betekent over de verhouding tussen instellingen.’

We hebben het in deze podcast gehad over maatwerk. Maatwerk is nodig als mensen in de knel zitten omdat de systeemwereld niet aansluit op hun leefwereld. Om dan een doorbraak te forceren heb je creativiteit nodig en professionals die breder durven te kijken dan hun eigen verantwoordelijkheid. Maar vervolgens moeten we van het incidentele naar het structurele. We moeten leren van elkaars slimme interventies en patronen herkennen die ervoor zorgen dat mensen in de knel komen. Pas als we de patronen in beeld hebben kunnen we ook op organisatieniveau en stelselniveau maatwerk verankeren. Het Platform Mooi Maatwerk is hiervoor een krachtig instrument. Op de website van het Programma Sociaal Domein vind je meer informatie. Heb je zelf goede voorbeelden van maatwerk of een tip voor ons? Laat het ons weten via de website of Whatsapp. Voor nu, bedankt voor het luisteren/lezen!

Podcast #8: Utrechtse wijkteams

De stad Utrecht richt sinds een paar jaar haar sociaal domein op een andere manier in dan de meeste andere steden. De buurtteams en specialistische hulp in de Utrechtse wijken is op een speciale manier vormgegeven. Hoe? En wat zijn de sleutels in deze manier van werken? Dat vertellen Maarten van Ooijen, wethouder maatschappelijke ondersteuning en welzijn in Utrecht, Toke Tom, themadirecteur Sociaal Domein, Peter de Visser, bestuurder buurtteamorganisatie Sociaal, en Suzanne Verdoold, kwartiermaker bij specialistische jeugdhulp Extr@Utrecht in deze podcast.

> Beluister via Spotify of iTunes

Podcast #8 Utrechtse wijkteams

Je luistert naar Zaaigoed onderdeel van het Programma Sociaal Domein, inspiratie voor en door Rijk en gemeenten.

In deze podcast gaan we in op hoe de gemeente Utrecht het sociaal domein heeft ingericht. De stad maakt enkele fundamentele keuzes die maken dat hun manier van werken in de rest van het land veel aandacht krijgt. Daarom duiken we in deze podcast in hoe Utrecht de buurtteams en aanvullende specialistische hulp heeft vormgegeven. Wat zijn sleutels in hun manier van werken? Welke lessen kunnen we daaruit trekken? En hoe is Utrecht zelf bezig om hun werkwijze door te ontwikkelen?

In deze podcast horen we Maarten van Ooijen, wethouder maatschappelijke ondersteuning en welzijn, Toke Tom, themadirecteur Sociaal Domein, Peter de Visser, bestuurder van de buurtteamorganisatie Sociaal en Suzanne Verdoold, kwartiermaker van de pilot buurtgerichte specialistische jeugdhulp.

Allereerst, hoe ziet de inrichting van het sociaal domein Utrecht er op hoofdlijnen uit? Nou, op het eerste gezicht is het niet heel anders dan hoe de meeste gemeenten in Nederland het inrichten, legt Maarten van Ooijen de wethouder uit.

Van Ooijen: ‘Het model bestaat dus eigenlijk uit drie, ja hoe zou ik het eigenlijk zeggen, drie verschillende onderdelen. Het eerste onderdeel is dus de basis, nou inderdaad de buurtcentra maar ook de sociale netwerken. Denk aan alle eetgroepen, denk aan wat er in de hele informele zorgnetwerken gebeurt. Dat is echt de sociale basis. Dan heb je deel twee waar dus de buurtteams de speel in spelen. Voor de eerste hulpvragen ben je eigenlijk altijd bij het buurtteam aan de slag. En dus het derde onderdeel is de aanvullende zorg. Ik denk overigens dat deze drie onderdelen, dat die eigenlijk grofweg in alle gemeenten op deze manier gemaakt worden. Dus daar zit eigenlijk helemaal niet het punt hé. Het Utrechtse model onderscheidt zich niet door deze drie onderdelen. Het onderscheidt zich wel in de manier waarop we daarmee aan de slag zijn gegaan.’

Drie lagen dus, de sociale basis infrastructuur als eerste, vervolgens de buurtteams en dan waar nodig specialistische zorg. Dat is inderdaad niet zo onderscheidend, maar de sleutel zit in de manier waarop Utrecht de buurtteams neerzet. En vooral eigenlijk de buurtteamprofessionals.

Tom: ‘Belangrijk is dat zij generalist zijn, vergelijkbaar met de huisarts, die zelf hulpverleent en doorverwijst.’

Themadirecteur van Sociaal Domein, Toke Tom en Peter de Visser, bestuurder van de buurtteamorganisatie Sociaal, leggen uit wat de verschillen zijn.

Tom: ‘Eigenlijk was zo ongeveer zo’n tachtig procent van de AWBZ begeleiding. Wat veel al wordt gezien als specialistische zorg, wordt bij ons door het buurtteam gegeven. Dus de specialistische zorg is direct vanaf 2015, was al veel kleiner dan in veel andere gemeentes. En ze zijn daarbij niet een heel duur indicatieorgaan geworden, want ze kunnen gewoon echt heel veel zelf en een goede inschatting maken voor wat er eventueel extra nodig is. En dat gebeurt dan ook in overleg.’

De Visser: ‘De toegangsfunctie an sich verdwijnt en wordt geïntegreerd in de zorg. Dus dat betekent dat ik als Utrechter niet eerst langs een soort bastion van toegangsgevers moet. En mijn verhaal moet vertellen en vervolgens mijn verhaal nog een keer moet vertellen bij degene die mij daadwerkelijk gaat ondersteunen. En twee, individuele begeleiding laat zich moeilijk vangen in een arrangement. Want het kenmerk van mensen die individuele begeleiding krijgen, is dat het niet heel stabiel is. Dus dat betekent dat de ondersteuning die je daaraan zou moeten geven, dat dat per week, per maand, kan verschillen. En soms is dat heel lang en soms is dat heel kort. Soms is het heel kort, dan weer even niet, dan weer wel. En juist dat type zorg verhoudt zich dus slecht tegen het model van één keer toegang. En daarna heb je een boterbriefje, en krijg je eigenlijk altijd ondersteuning. Niemand registreert iets, het enige wat we registreren is een ondersteuningsplan. En dat doen we samen met die klant en daar staan doelen in. En het doel van dat ondersteuningsplan is om structuur te geven aan de ondersteuning, om houvast te geven aan de klant en ook om onze professionaliteit te borgen. Het doel van het ondersteuningsplan niet is om data te genereren. Die komen er wel vandaan, maar dat is niet het primaire doel. En we registreren dus niks wat niet bijdraagt aan de ondersteuning van die klant.’

De buurtteamprofessionals doen dus heel veel zelf. Tachtig procent van wat in het oude stelsel AWBZ begeleiding was. Ze functioneren zo ongeveer als de huisarts. Ze behandelen in principe zelf en schakelen alleen als het nodig is specialistische hulp in. Ze indiceren dus ook niet op welk arrangement iemand recht heeft, maar kijken steeds wat er nodig is. En dat met lage administratieve lasten. Deze manier van werken was in eerste instantie wel eens onwennig.

De Visser: ‘In het begin was het continu de vraag; wat moeten we doen? Hoeveel ondersteuning moet ik bieden? Wie moet ik wel of niet ondersteunen? En het flauwe antwoord wat ik dan geef, is van ja sorry maar ik ben daar dus niet voor opgeleid. En het enige wat ik heb gedaan is jou aangenomen, want ik denk dat jij competent bent om die afweging te maken. En dat is natuurlijk flauw. Dus ik zeg ik wil best met je daar over praten, vertel welke dilemma’s er zijn. Maar uiteindelijk denk ik echt oprecht dat jij degene bent die het best in staat is om die afweging te maken. Niet alleen om wat je kunt en om wie je bent, maar ook omdat jij in die wijk zit. Die mensen voor je hebt staan en jij ook al die mensen ziet. In het begin is dat onwennig. En wat we hebben gedaan is elke maand die teams bij elkaar zetten, en we hebben gezegd; reflecteer is op de beslissingen die je hebt genomen. Die mensen die je bent gaan ondersteunen een maand geleden, als die nu weer voor je zouden zitten, zou je dan dezelfde afwegingen maken? Zou je dezelfde inspanning doen? Zou je dezelfde inzet doen? De doelen die je met elkaar hebt afgesproken, zijn die eigenlijk gehaald? En op die manier ook accepteren dat zo’n organisatie daarin leert en dat ze daarin ontwikkelen. Daarmee is het dus ook zo dat er in dit model dingen fout gaan. Mensen soms hele goede ondersteuning krijgen, soms minder goede ondersteuning krijgen. We hebben geen toverstok om alles beter te maken. Alleen, het werk wordt leuker voor de professional. Je gebruikt de competenties van die professional, want hier zijn zij voor opgeleid. Zij kunnen die overweging veel beter maken. Klanttevredenheid neemt toe, omdat mensen niet eerst drie keer moeten uitleggen waarom ze echt vinden dat ze die ondersteuning nodig hebben. Het ook niet meer gaat over hoeveel uur langskomt. Maar het gaat er eigenlijk over, wat is jouw ondersteuningsvraag en hoe kunnen wij je daarbij helpen?’

Hoe stuurt Utrecht dan op financiën? Als professionals vrijgelaten worden en geen indicaties of arrangementen hoeven af te geven. Krijg je dan niet een ongelimiteerde groei van zorg?

Van Ooijen: ‘Wij hebben het echt opengegooid. Wij hebben gezegd tegen de aanbieders, financieel heeft de gemeente één budget. Wij hebben geen honderd verschillenden, eigenlijk hebben wij één budget voor deze taken in de WMO. Dat betekent dat als wij de buurtteams op een andere manier inzetten, dat dat geld dus van de buurtteams naar bijvoorbeeld aanvullende zorg gaat. Of andersom, als er minder is over de aanvullende zorg, dan gaat dat naar de buurtteams. Want dat moet eigenlijk uit hetzelfde budget komen. Dus wij hebben ook tegen hen gezegd, vanuit die stelselverantwoordelijkheid, stel dat die buurtteams nu toch meer gaan doorverwijzen, dat betekent dat maar een ding. Namelijk, dat wij ook het budget daarop gaan korten. Want wij moeten dat geld dan besteden aan die partijen in de aanvullende zorg. Anders komen we er niet mee uit.’

De Visser: ‘De Gemeente Utrecht subsidieert ons, buurtteam Sociaal. Wij krijgen een bedrag dat gelijk staat aan vijfenzestig procent van wat vroeger ambulante begeleiding was. Daarvoor moeten wij elke Utrechter met een vraag ondersteunen. Dat bedrag is bekend, voor de komende zes jaar wordt geïndexeerd. Dat noemen we een lumpsum. De gemeente Utrecht maakt het niet uit welke ondersteuning je biedt, als je er maar voor zorgt dat elke Utrechter met een vraag ondersteund wordt. Eerst door ons, de basiszorg, en lukt dat niet, door de specialistische zorg. Wij accepteren elke Utrechter, de specialistische basiszorg moet iedereen accepteren die wij naar ze door verwijzen. Daarmee is op voorhand het geld volstrekt duidelijk, en is er geen enkele prikkel meer op individueel niveau om meer of minder uren te leveren of meer of minder ondersteuning te leveren.’

Door één lumpsum bedrag te bieden aan de buurtteams, en te verwachten dat ze daarvoor al hun taken uitvoeren. Voorkom je dat er een prikkel is om op individueel niveau om meer productie te draaien, omdat dat tot meer omzet zou leiden. Tegelijkertijd geeft Peter ook aan dat vijfenzestig procent van het budget wat vroeger voor ambulante begeleiding stond, overgekomen is naar de buurtteams. Terwijl tachtig procent van de taken zijn overgekomen uit de AWBZ naar de buurtteams toe. Dus voor vijfenzestig procent van het budget moet tachtig procent van de taken worden uitgevoerd.

De Visser: ‘Heel veel gemeentes vragen mij; goh, wat een leuk model dat willen wij ook doen. Maar ja, dat geeft natuurlijk heel veel gedoe met al die klanten want die krijgen uiteindelijk minder uur ondersteuning. Dat is absoluut zo. Want ja, als je veertig procent effectiever wordt betekent dat gewoon veertig procent minder uur inzetten. Dus ja, mensen krijgen per saldo minder uur ondersteuning. Het bijzondere is natuurlijk dat als je aan de voorkant dat tegen de mensen zegt dan breekt de pleuris uit, om het maar oneerbiedig te zeggen. Maar het is natuurlijk helemaal niet relevant hoeveel uur je aanbiedt. Eigenlijk is de kunst om met mensen vooral in gesprek te gaan over goh, wat zijn eigenlijk je zorgen? Waar maak je je druk over? Wat zou je willen in je leven, maar lukt nu niet? En als je daar heel erg mee aansluit, dan heeft niemand het meer over uren.’

Peter geeft een voorbeeld uit de praktijk van de buurtteams.

De Visser: ‘Ik heb een meneer gezien die licht verstandelijk beperkt, vijfenzeventig, al zijn hele leven twee uur begeleiding per week. Want dat was zo, werd ooit geïndiceerd. En hij deed vrijwilligerswerk bij een kinderboerderij. Onze medewerker kwam en die zegt; ik zat de eerste drie weken stilzwijgend naast die man op de bank, ik kwam er eigenlijk niet veel verder mee. En ik dacht, wat ben ik hier aan het doen? Toen ben ik eens gaan kijken goh wie kent hij. Nou de buurvrouw, die is uitgenodigd en koffie toen ik er ook was. Hij had nog een zus een paar jaar ouder. De mensen op de kinderboerderij. Samen zijn we zo eens wat mensen gaan bezoeken uit zijn leven. En ik heb tegen iedereen gezegd, joh als er nou ooit een keer iets misgaat, je maakt je zorgen of je komt er niet uit bel mij, dan komt ik. En ik had nog een andere klant, zei die medewerker, die een hondje had, maar die kon ze niet meer uitlaten. En vervolgens is hij met die meneer naar die mevrouw gegaan en zijn ze samen dat hondje gaan uitlaten. Dus werd die klant eigenlijk een vrijwilliger. Had hij dan een VOG, was dat allemaal geregeld? Nee, en dat hondje liep ook nog de eerste keer weg. Toen dacht hij, oh nee als dit nu allemaal misgaat, is het dan wel goed wat ik hier heb gedaan? Nou ja natuurlijk, dit is gewoon het echte leven. Het hondje kwam gelukkig weer terug, en vervolgens is die meneer twee keer per week zelfstandig dat hondje gaan uitlaten bij die mevrouw. Onze medewerker loopt één keer per maand mee. Tijdens dat uurtje wandelen met die hond kunnen ze makkelijker tot een gesprek komen, dan op de bank bij die man thuis. En we weten gewoon, met deze meneer zal het ooit een keer misgaan. Hij is niet in staat om in lastige situaties dat zelf op te lossen. Dus als zijn zus dood gaat, als hij ruzie krijgt met iemand, dan ontstaat er stress en dan gaat hij waarschijnlijk onhandige keuzes maken. Alleen doordat je de omgeving van die meneer hebt ingeschakeld, en er genoeg mensen zijn die hem tegenkomen en je nabij bent, heb je eigenlijk veel betere ondersteuning. Terwijl als je kijkt naar de effectieve inzet, was het twee uur per week en nu is het nog een uur per maand.’

Voordat Utrecht in 2015 in heel de stad op deze manier ging werken, startte het eerste met een pilot in twee wijken.

Tom: ‘We weten het nog niet zo goed, we willen zulke grote veranderingen. Het is nog niet daar. Laten we gaan oefenen en we hebben toen twee wijkteams, buurtteams zijn die later gaan heten, opgericht. En met de vraag werkt het. We hebben toen ook aan professionals gevraagd, ga dit is proberen zoals jullie denken dat dit kan. Probeer dit handen en voeten te geven. En we zijn steeds gaan leren van wat zij ons weer te vertellen hadden. En dat heeft zich uiteindelijk in 2014 in een uitvraag gemond en zijn er twee nieuwe organisaties in de stad gekomen met buurtteams.’

Utrecht heeft dus in de pilot geleerd wat voor typen mensen nodig zijn in die buurtteams om op een goede manier die taken te kunnen uitvoeren. En door vervolgens een aanbesteding te doen en twee nieuwe organisaties op te zetten, had Utrecht ook de mogelijkheid om mensen te selecteren voor die posities.

Tom: ‘Die nieuwe organisaties hebben we echt zorgvuldig uitgezocht, die bestonden dus nog niet. We hadden alleen de pilotteams, maar in datzelfde najaar van 2014 hebben ze heel veel mensen aangenomen uit de organisaties van aanvullende zorg die de AWBZ gaven. En ze hebben echt mensen geselecteerd die dit graag wilde en goed zouden kunnen. En die stonden op 1 januari in de eerste teams. In 2015 hebben we in het eerste jaar wel een half jaar genomen, en ook dubbel betaald om in alle rust mensen die dan over moesten gaan van AWBZ naar het buurtteam om daar de tijd voor te nemen om dat goed te doen.’

De Visser: ‘Ik denk dat het belangrijk is als je naar zo’n model gaat dat je ook moet zorgen dat je in de meest ideale situatie aan de voorkant kunt selecteren. Wat we in Utrecht hebben gedaan is, er is een nieuwe organisatie opgericht. Wij hebben gezegd, wij hebben voor dit werk mensen nodig en wij gaan in eerste instantie alleen selecteren uit mensen die in Utrecht dit werk nu al doen. Waarbij ‘dit werk’ redelijk ruim geformuleerd is. Iedereen die in Utrecht op enige manier actief was en uit Utrecht kwam die kon solliciteren. En wij zijn rondjes gaan maken langs alle aanbieders die dat daarvoor deden. En wat ik daar vooral heb verteld is aan de ene kant hoe ontzettend leuk het is en hoeveel ruimte je krijgt. Ruimte en autonomie zijn hartstikke mooie woorden, maar dat geeft dus ook meer verantwoordelijkheid. Dat betekent wel dat jij zelf keuzes moet maken, terwijl je in het verleden misschien veel meer keuzes uitvoerde die een ander had gemaakt. Dit betekent ook dat, ja gelukkig zijn er ook een heleboel mensen die ondersteuning nodig hebben die werk hebben, dat je soms ook wel eens ’s avonds moet werken of in het weekend. Dat ga ik niet van tevoren afspreken, dat je elke dinsdagavond moet werken. Nee, wij gaan niet op je uren zitten, maar daar hoort dus ook bij dat je zelf op die uren beschikbaar bent dat nodig is. Die flexibiliteit en die spirit ook van bereid zijn om je eigen manier van werken los te laten, in het onzekere te duiken, kwetsbaar te zijn. Op zoek te gaan naar een nieuwe manier van werken, dat moet je leuk vinden.’

En toen die professionals geworven waren zijn ze verdeeld over de stad.

De Visser: ‘Toen wij startten hebben we eigenlijk op basis van de historische zorgvraag, de sociaaleconomische status in een wijk, alle beschikbare informatie, hebben we een soort van profiel per buurt gemaakt. En op basis daarvan hebben we gekeken welke expertise zou nou minimaal in elk team aanwezig moeten zijn. En voor sommige wijken, welke expertise moet hier dominant aanwezig zijn. Vervolgens hebben we die medewerkers zo verdeeld over de teams dat er een evenredige verdeling is van die specialisme over die teams.’

De sleutel tot succes is in het Utrechtse model zit dus in de professionals aan de voorkant. De professionals in de buurtteams, zij kunnen zelf de afweging maken wat een Utrechter nodig heeft aan ondersteuning en kunnen heel veel van deze ondersteuning zelf bieden. Ze krijgen de ruimte om hun eigen professionaliteit te pakken. En deze professionals zijn allemaal geselecteerd op het feit dat ze deze manier van werken willen en ook kunnen vormgeven. En vervolgens moet je kijken op welke plek welk specialisme nodig is, en welke kennis in alle wijken nodig is. Utrecht heeft daarbij gekozen om jeugd en volwassenen in twee aparte teams onder te brengen.

Tom: ‘We hebben de keuze gemaakt om twee buurtteamorganisaties te hebben achter één voordeur. En die twee organisaties, de een is gericht op volwassenen en de ander is gericht op kinderen en gezinnen. Dat hebben we gedaan, omdat we in de proefperiode ontdekte dat er echt een grens is aan hoeveel expertise je kunt koppelen in een generalistische professional. We hebben heel goed geluisterd naar de professionals. En ze werken wel samen nogmaals achter een voordeur, maar ze hebben toch ook wel heel erg hun eigen netwerk. De een heel erg bijvoorbeeld met het onderwijs, en de ander juist met organisaties in de GGZ of verslavingsproblematiek. En dat is ook zo gebleven toen we het opnieuw hebben ingekocht vorig jaar.’

De Visser: ‘Het belangrijkste uitgangspunt is dat de inwoner van Utrecht dat niet mag merken. Dus wij heten allemaal buurtteams, we hebben een gezamenlijke voordeur. Een Utrechter hoeft niet te denken; hé, heb ik een kind en is dat een onderdeel van dit probleem of niet? Die komt bij die voordeur en aan die voordeur wordt doorgevraagd. En op basis van wat daar aan informatie wordt opgehaald, wordt besloten naar welk team je gaat. En voor die Utrechter maakt dat niet uit, want we zijn allemaal buurtteams. Dus dat is denk ik een belangrijk uitgangspunt wat ik in ieder geval iedereen wil adviseren. Zorg dat inwoners geen last hebben van hoe je dingen inricht. Het moet gewoon een simpele voordeur zijn waar iedereen terecht kan.’

Tot nu toe hebben we het vooral over de buurtteams gehad, maar Utrecht heeft daarnaast dus nog twee andere lagen. De sociale basis, dan de buurtteams en dan de aanvullende of specialistische hulp.

Tom: ‘De buurtteams zijn ook ingebed in de wijk, want het hele systeem werkt eigenlijk gebiedsgericht zodat mensen ook elkaar kennen. Dus ze kennen ook heel goed de mensen uit de sociale basis. Bijvoorbeeld van de JGZ, bijvoorbeeld op scholen, ze kennen de huisartsen, ze kennen de wijkverpleegkundigen en op die manier kunnen zij ook heel snel schakelen als dat nodig is rond om een cliënt.’

Van Ooijen: ‘We hebben het netwerk informele zorg, wat allemaal partijen heeft die met elkaar in een netwerk gestapt zijn. Die zeggen; we moeten met elkaar een betere alliantie vormen. Ook om een goede ingang te zijn naar die buurtteams toe. En die hebben op een geven moment een uitwisseling gehad tussen de buurtteams en het netwerk informele zorg, van wat doen wij eigenlijk? En hoe kunnen wij elkaar eigenlijk ondersteunen? Dat noemden we op een gegeven moment ambassadeurs van netwerk informele zorg, en die hebben op een gegeven moment gewoon bij in gelopen. En anders om ook, om elkaars werkveld veel beter te zien. Want het is echt heel anders als je bij een handje-helpen werk, of je komt uit de sociaaljuridische hulpverlening. Dat zijn andere werelden. En dat hebben we bij elkaar gevoegd. En op deze manier is er veel meer perspectief over en weer gekomen over wanneer kan ik eigenlijk inderdaad dankbaar gebruik maken van wat er gebeurt in het informele netwerk? En wanneer kan dat ook niet en wanneer moet je daar ook niet op hopen?’

Die kennis over en weer en die interactie tussen die sociale basis en die buurtteams. En zoals je straks zal horen ook tussen het buurtteam en de specialistische hulp, is heel belangrijk. Er zijn dan ook niet altijd zwart-wit grenzen waar sociale basis eindigt en het buurtteam begint. En waar het buurtteam eindigt, en de specialistische hulp begint.

De Visser: ‘Dus het buurtteam kan mensen toe leiden naar alle voorzieningen die er in een wijk zijn. Maar die kan ook, en moet eigenlijk ook aangeven welke voorzieningen er nodig zijn. Omdat het kan zijn dat er in een specifieke buurt door type woningen dat er zijn, relatief veel jonge mannen zijn met gedragsproblemen die slecht landen in een sportvereniging. Dan is dat een heel belangrijk signaal om aan te geven, bij bijvoorbeeld een sportvereniging of een combinatiefunctionaris of een sociaal makelaar. Zodat zij daar vervolgens mee aan de slag kunnen gaan. En dan moet je volgens mij vooral grijze gebieden durven laten ontstaan. Je ziet dat heel veel gemeentes enorm willen afbakenen wie waarvoor is, en dat werkt niet. Want dat is namelijk niet te bepalen. Dus soms doen onze buurtteammedewerkers werk wat je eigenlijk ook een opbouwwerker zou kunnen laten doen. En soms doet een opbouwwerker werk wat lijkt op het werk van een individueel begeleider. Dat is niet erg zo lang dat maar gecoördineerd gebeurt. Dus wat je vooral denk ik heel goed moet regelen is, erkennen en expliciet maken dat er grijze gebieden zijn en niet de verantwoordelijkheid voor dat grijze gebied bij de gemeenten neerleggen. Maar de verantwoordelijkheid voor dat grijze gebied bij de uitvoerders neerleggen. In dit geval, de buurtteamorganisatie Sociaal en de sociaal makelaar. Of die buurtteamorganisatie Sociaal en de ambulante begeleiding in het specialistische veld.’

Ook in dit geval geldt dus dat Utrecht de buurtteammedewerker expliciet de ruimte geeft om zijn eigen professionele afweging te maken. Dat geldt ook voor het aanhaken van specialistische of aanvullende zorg.

Tom: ‘Een buurtteammedewerker kan dus als daar behoefte aan is doorverwijzen naar de aanvullende zorg, of liever nog andersom. Mensen uit de aanvullende zorg bij het gezin halen, bij de kwestie halen. Dat kan bijvoorbeeld zijn dat er schuldhulpverlening nodig is van veel specialistische aard, maar ook GGZ expertise of expertise op een aandoening die iemand heeft.'

Toke geeft dus aan dat het belangrijk is dat er zo veel als mogelijk geprobeerd wordt specialistische zorg aan te haken, in plaats van dat er doorverwezen wordt. Op die manier blijft die buurtteamedewerker centraal staan in de dienstverlening aan een Utrechter. Het is niet zo dat Utrecht al gelijk op 1 januari 2015 op deze manier ging werken.

Tom: ‘Ook sinds 2015 zijn wij steeds bezig geweest om verder te ontwikkelen samen met de stad. Stap voor stap. En een van de belangrijke onderdelen was daarin dat we ontdekten samen met onze partners, dat de specialistische zorg eigenlijk niet op een manier kon samenwerken zoals we dat graag wilden. Als ze niet ook gebiedsgericht zouden gaan werken. Dat zowel de hulpverlener GGZ, als het buurtteam, als de huisarts in de school, elkaar toch kennen. Dat is heel erg belangrijk. Dat gebiedsgerichte is een pijler onder ons systeem.’

Als je hele aanpak erop gericht is om buurtgericht te werken, is het ergens logisch om ook je specialistische zorg op die manier in te richten. Suzanne Verdoold, kwartiermaker van de pilot buurtgerichte specialistische jeugdhulp, vertelt wat de gedachte was van gemeente en aanbieders toen ze die constatering deden.

Verdoold: ‘Laten we het gewoon maar gaan proberen. En dat is waarmee in Utrecht de pilot is opgezet, om in twee wijken integrale jeugdhulp, specialistische jeugdhulp, neer te zetten. En daarom hebben we ook wel kunnen kijken van, wat kun je daar op een andere manier in doen. Want nu wordt er heel snel doorverwezen. Dus als we denken dat er misschien met een kind meer aan de hand is, dus bijvoorbeeld sprake is van trauma of van ADHD, dan wordt er doorverwezen naar een andere hulpverlener. Die moet dan zeggen of dat aan de hand is en daar wel of niet behandelding op doen. Terwijl wat we nu doen is eigen veel meer aansluiten bij de hulpverlening die al in het gezin is. En hoe werk je dan samen? Dat gaat erover dat je elkaar kent. Weet hier ben jij heel goed in, jij hebt al het contact met het gezin. En je bespreekt met elkaar wat het dat is wat je specifiek van mij nodig hebt. Dus niet het hele aanbod, maar precies dat stukje wat je nog mist in dat wat je nu met het gezin aan het doen bent. Ik vind het vaak een soort lego huisjes. We hebben huisjes gebouwd van lego blokken, en dat noemen we aanbod. Dan zeggen we dit is het traject wat wij doen. Maar als je vraagt; mag ik de helft van deze stenen? Dat kan niet, dan moet het vaak wel het hele lego huisje zijn of niet. Terwijl, ik denk soms ben jij al de helft van het lego huis, en heb je dus niet nog een hele daarnaast nodig om dat te kunnen doen.’

In deze manier van werken kijken dus de buurtteamprofessional samen met het gezin naar welke specialistische hulp nodig is. En de specialistische hulp biedt niet kant en klare pakketten van complete arrangementen, maar kan modulair werken en precies dat bieden wat nodig is. Dat kan soms advies zijn, soms echte ondersteuning en soms een veel uitgebreider traject.

Verdoold: ‘En dat heeft ook consequenties voor financiering, want dat maakt dat je de ene keer meer doet dan de andere keer. Dus je hebt geen standaard trajecten, geen standaard pakketten. Dus ook niet die je standaard kunt financieren. Dat maakt ook bijvoorbeeld dat we consult kunnen doen. Dus echt een keertje mee met een collega van het buurtteam of aansluiten bij een gesprek van een gezin met de huisarts om dat gewoon een uurtje te doen. En dat zit in de financiering. Dus daar hoef je niet eerst weer een traject voor aan te vragen of beschikking voor aan te vragen. Die ruimte is er om dat te doen wat nodig is.’

Het interessante van deze manier van werken is dat de buurtteamprofessionals ook heel veel leren van die specialistische hulp.

Verdoold: ‘Het buurtteam denkt wellicht is er sprake van trauma, dan gaat de psycholoog vragen; welke kenmerken zie je dan? Welke symptomen zie je dan? De volgende keer weet die buurtteammedewerker nog beter welke vragen die al aan het gezin moet stellen om te screenen of er sprake is van trauma. En ik denk dus, dat is ook nog een soort proces wat zichzelf blijft verbeteren door het delen van kennis. En dat vind ik ook heel erg passen bij deze werkwijze. Dit gaat over delen van kennis en niet het zitten op je kennis. Je houdt het niet bij je, en je zegt kom maar naar mij als je mijn kennis wilt. Maar je deelt het met wie het nodig heeft. Dus ook met scholen of met het buurtteam of de huisarts.’

Het niet blijven zitten op je kennis, maar het delen van je kennis. Suzanne geeft een mooi voorbeeld van een samenwerking die ze had met Thomas Wormgoor van Use. Het ging over het thema genderdysforie.

Verdoold: ‘En dat is een hele specifieke expertise. En in Amsterdam aan de VU heb je daar de specialist voor. En in het team in Leidsche Rijn was een klinisch psycholoog die zei; volgens mij zou ik hier ook wel iets mee kunnen, maar ik weet het niet helemaal zeker. Die is gaan bellen met de specialist in Amsterdam. En heeft gevraagd; denk je dat ik dit kan? En daarvan hebben zij overlegd van wat kun je dan en welke dingen kun je inzetten. En uiteindelijk kwamen zij tot de conclusie dat het wel zou kunnen, maar toen hebben ouders de keuze voorgelegd. Wat wil je, als je wil naar Amsterdam naar de specialist daar dan kan dat. Maar als je zegt ik wil de zorg in de wijk en dichtbij, dan hebben wij een klinisch psycholoog, dan kan dat. En de specialist uit Amsterdam gaf aan, bel mij gerust als je vragen hebt als je het gaat doen. Uiteindelijk heeft het gezin inderdaad gekozen voor de hulp dichtbij in de wijk. En heeft de VU een e-learning module gemaakt waarin zij hun kennis hebben gedeeld voor meerdere professionals in deze teams. Dus daarvan zie je echt dat het anders kijken is, naar hoe ga je met kennis om. En uiteindelijk wil je dat de kennis komt bij de kinderen die het nodig hebben. En dat vraagt een andere manier van werken.’

De pilot die startte in twee wijken werd zeer positief beoordeeld. Zowel door professionals als door de gezinnen zelf.

Verdoold: ‘Die gaven echt heel erg aan dat zij het heel fijn vonden dat dus inderdaad hun vraag centraal stond. En dat er gezamenlijk gekeken werd wat de passende oplossing zou zijn. Dus niet vanuit het aanbod bedacht, dit is het en nu gaan we dit traject volgen. Maar echt gekeken past dit bij jullie? Nee, dan gaan we iets anders doen. Past dit bij jullie? En gaat dat echt helpen in het functioneren van het kind? Gaat het dan beter op school? Gaat het dan beter thuis? En dat samen met het gezin op maat kunnen doen. En dat gaf ook veel goede reacties van de gezinnen terug.’

En daarom heeft Utrecht ervoor gekozen om de werkwijze van de pilot in heel de stad te gaan toepassen.

Tom: ‘Toen hebben we weer een inkoop uitgezet. We hebben echt een nieuwe aanbesteding daar om gevraagd, om deze buurtgerichte aanvullende zorg in de jeugdzorg. We hebben een dialoog gerichte aanbesteding daarvoor gekozen, waar ook jongeren zelf in hebben meegesproken, waar ook ouders hebben meegesproken. Maar ook mensen vanuit het onderwijs en de buurtteams hebben meegedacht. En een dialoog gevoerd hebben met de potentiele aanbieders die dit konden gaan doen. Daar hebben we ongeveer een half jaar over gedaan. En in afgelopen juli hebben we met elkaar de keuze gemaakt voor twee organisaties in de stad die deze specialistische jeugdzorg gaan bieden, in nauwe aansluiting op het buurtteam. En die twee organisaties die verdelen zichzelf over de stad. En wij gaan van zo’n zes tot negen jaar met hen nu een traject in, waarin we steeds meer al die hulp op maat zo veel mogelijk in de buurt, dicht bij huis, gaan realiseren.’

Contracten van zes tot negen jaar, dat zijn best lange periodes waar Toke het over heeft. Maar Suzanne geeft aan dat dat nodig is.

Verdoold: ‘Samenwerken kost tijd. En is echt van essentieel belang voor goede zorg voor kinderen en jeugd dat we dat doen. Maar het kost ook tijd, en dus ook in het verdiepen in wat een ander kan en wat een ander doet. Dus een huisarts ziet vaak een gezin al jaren, kent ouders goed, kent ontwikkeling van kinderen. Maar heeft ook een andere manier van werken, dus goed samenwerken met de huisarts vraag ook even begrijpen wat de wereld is waar een huisarts in werkt. En hoe je daarmee kunt samenwerken. Maar ook dus wat een buurtteam goed kan, waardoor je ook wel die samenwerking echt beter vorm kunt geven. En ook weet, wie zijn nu in deze wijk belangrijke partners. In Zuilen bijvoorbeeld was dat de buurtpastoor, nou dat bedenk je ook niet zomaar van tevoren en zeker niet vanuit specialistische zorg. En ook de samenwerking met scholen is wel echt heel erg van belang om te snappen, hoe werkt dit op welke school en wat is daarin nodig voor specifieke kinderen?’

Ook hier gaat het dus weer om de goede balans en het goede samenspel tussen die drie lagen in het Utrechtse systeem. De sociale basis, de buurtteams en de specialistische hulp die aanvullend is. En door de manier van werken in Utrecht is die specialistische hulp echt aanvullend op wat het buurtteam doet. En die drie lagen moeten vervolgens weer op een goede manier met elkaar samenwerken. Want je moet als specialistische hulp in zien dat je aanvullend bent en over het algemeen ook tijdelijk.

Verdoold: ‘Ik denk wat je ziet is dat inderdaad, het gewone leven is natuurlijk het grootst. Dus je gaat uit van dat er maar een beperkt deel van de kinderen te maken krijgt met specialistische zorg. Tegelijkertijd is het ook hulpverleners eigen om dan het geheel op zich te nemen, terwijl ook kinderen in specialistische zorg nog een heel gewoon leven hebben. Dus dat met name in dus ook zo’n wijk als Zuilen, daar is meer aan de hand soms in één gezin, en daarin kan de buurtpastoor een hele goede rol hebben. En al heel lang een goede rol hebben. Terwijl je als specialistische zorg soms even in komt vliegen, omdat er een specifieke vraag is. Maar als je dan onderschat wat de rol is van die buurtpastoor, dan sla je ook de plank een beetje mis. En dat is denk ik wel echt wat je leert in zo’n wijk, is dus ook te zien wat er al is en daar niet in op nieuw te beginnen.’

De buurtgerichte manier van werken in het specialistische domein richt zich in Utrecht op de jeugd. Maar ook aan de kant van de volwassenen wordt nu die beweging ingezet. Dit gebeurt samen met de verzekeraar verteld Peter de Visser.

De Visser: ‘Dat is eigenlijk een beweging die ingezet is vanuit de verzekeraar, in dit geval Zilveren Kruis of Achmea. Zij hebben jaren geleden al een studie gedaan en zagen dat er een hele grote groep mensen was met psychische klachten waarbij de behandeling niet altijd effectief is. En dat heeft eigenlijk een beweging binnengebracht waarbij een heel groot deel van de GGZ die klassiek in een GGZ-instelling plaatsvindt. Dus we hebben het niet over opnames maar echt poliklinische GGZ, maar ook die vindt vaak plaats in het bastion van de GGZ-instellingen. Dat die GGZ uit die gebouwen is gehaald en wijkgericht aangeboden wordt.’

Peter vertelt wat het negatieve effect kan zijn van dat GGZ aanbieden in een ‘bastion’ zoals hij dat noemt.

De Visser: ‘Ik heb wel eens meegemaakt dat ik met een buurtteammedewerker meeliep in een situatie waarbij twee volwassen mensen om de beurt een burn-out hadden. Allebei daarvoor begeleid werden of behandeld werden in de GGZ instelling. Letterlijk vertelde, nou dat is hartstikke leuk met de bus aan de andere kant van de stad. Ik heb daar tien gesprekken gehad, hartstikke nuttig. En vervolgens zie je, ik als leek zie dat al, dat je in zo’n situatie komt bij die mensen thuis en dat je dan denkt; ja, wat hebben deze mensen eigenlijk daaraan gehad? Terwijl op zich die specifieke competentie en kennis van die specialistische behandelaar ontzettend relevant zou zijn. Alleen de kunst is om die competentie in de context relevant te maken. En door die GGZ in de wijk te zetten, letterlijk op dezelfde locatie als het buurtteam, zie je dat de interactie tussen dat buurtteam en die psychiater veel directer wordt. In het stelsel zitten er allemaal ingewikkeldheden in, want dat gaat natuurlijk via de huisarts enzovoort. Maar in de praktijk zie je dat het zichzelf behoorlijk oplost, omdat die mensen bij elkaar zitten. En veel van die klanten het natuurlijk ook helemaal niet erg vinden dat er interactie is. Alleen in het verleden toen die psychiater nog veel verder weg was, ging dat eerst via een SPV en waren er allemaal omwegen. En zag je dat onze buurtteammedewerkers best schroom hadden en moeite hadden om direct toegang te krijgen tot die behandelaar. En nu die behandelaar in de wijk zit, zie je dat er eigenlijk veel directer contact is, dat er veel meer onderling begrip is en dat er langzaam maar zeker steeds meer slagen worden gemaakt om gezamenlijk op te trekken.’

We hebben in deze podcast gehoord over de manier waarop Utrecht het sociaal domein inricht. Op zich zijn de drie lagen die ze toepassen, de sociale basis, de buurtteams en de aanvullende specialistische hulp, niet zo bijzonder. Maar het is de manier waarop Utrecht het inricht die het anders maakt. De buurtteamprofessional is echt de sleutel in het systeem in Utrecht. Zij hebben een enorme ruimte om zelf te handelen. Tachtig procent van wat eerst AWBZ begeleiding was, doet de buurtteamprofessional zelf. Daarmee is de buurtteamprofessional niet een indicatieorgaan, maar echt een handelende professional, een beetje à la de huisarts. En als het dan nodig is om door te verwijzen, dan is het niet zo dat die specialistische zorg het helemaal overneemt, maar dat die zo veel mogelijk aanvullend is op wat de buurtteamprofessional aan het doen is. Om dit mogelijk te maken, is die hele specialistische zorg niet ingericht in kant en klare arrangementen, maar modulair. Het zijn niet kant en klare lego huisjes, maar ja lego huisjes waar je ook stukken van kan kiezen. Aan de kant van jeugd wordt dit nu over de hele stad uitgerold. En aan de kant van de volwassenen zijn ze nu onder andere op het gebied van de GGZ bezig om samen met de verzekeraar ook buurtgericht te werken. Het is het vertrouwen in de buurtteammedewerker en die de ruimte geven om vanuit zijn kennis en kunde de juiste beslissing te nemen, specialistische hulp aan te haken indien nodig en zo vanuit de vraag van de inwoners te kunnen denken. En alle administratieve en financiële componenten daaromheen, is allemaal ten dienste aan de ruimte en het vertrouwen aan de professional. Wethouder Maarten van Ooijen heeft een anekdote die eigenlijk dat mooi samenvat. Hij vertelt over een werkbezoek die hij een keer deed.

Van Ooijen: ‘Dus ik was bij een mevrouw thuis, en die mevrouw werd al geholpen door een behandelaar. Dus er was al een psychiater die daarbij betrokken was. En ik kwam dus daar vanuit het GGZ gebiedsteam, dus eigenlijk een combinatie van buurtteam met GGZ partijen. Ik kwam daar bij die mevrouw thuis en constateerde op een gegeven moment, zo tussen neus en lippen door dat gesprek, dat er eigenlijk nog helemaal geen beschikking was voor die mevrouw, voor die ondersteuning die zij kreeg. Dus ik dacht hoor ik dat nou goed? Ja, die mevrouw had natuurlijk helemaal geen perspectief van. En die zei; Ja, ik moet nog een brief krijgen en die moet ik nog ondertekenen en ik snap er helemaal niks van. Dus ik dacht; brief krijgen? Brief krijgen? Volgens mij is er gewoon nog helemaal geen beschikking afgegeven. Dus ik zei achteraf tegen die begeleider, die professional met wie ik meeging. Ik zeg; joh, vertel even, hoe is dat nou gegaan? Toen zei hij; ja, maar wij zijn ervan overtuigd dat dat nu nodig is, wij willen nu alle zorg leveren of de ondersteuning bieden, want we gaan echt niet wachten met deze mevrouw. Dus we lopen hier gewoon nu al, en inderdaad die beschikking die volgt nog wel. En toen dacht ik, ja dit is dus werken vanuit vertrouwen hé. Niet wachten tot de papieren en de paprassen geregeld zijn, waarvan je eigenlijk al zeker weet dat gaat zo meteen echt wel goed komen. Maar nú leveren en nú er zijn, perspectief bieden aan deze mevrouw, en vervolgens komt de bureaucratie en het papierwerk. Dat is niet onbelangrijk, maar dat mag niet dominerend worden.’

De podcast waar je zojuist naar hebt geluisterd maakt onderdeel uit van een tweeluik. Het andere deel gaat over het Utrechtse sturingsmodel, gebaseerd op het model van Simons. Je vindt de podcast in je podcastapp of op de website www.programmasociaaldomein.nl. Op welke manier geef jij ruimte aan professionals? Hoe zorg jij dat de vraag van je inwoner echt centraal staat? En hoe verhouden bij jou specialistische hulp en basishulp zich tot elkaar? We horen het graag, laat het ons weten via de website, via Whatsapp of per mail. We zijn benieuwd naar jouw verhalen. Voor nu, bedankt voor het luisteren/lezen!

Podcast #9: Uitwisseling persoongegevens en privacy

Hoe kunnen we gegevens uitwisselen in het sociaal domein en tegelijk de privacy van mensen waarborgen? In deze podcast gaan Leon Sonnenschein, projectleider van het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP) en Febe Otten, procesadviseur en projectleider van de gemeente Zaanstad, in op de vraag wat er nodig is om gegevensuitwisseling op de werkvloer goed te laten verlopen. En waarom is het Wetsvoorstel Aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) in het leven geroepen?

> Beluister via Spotify of iTunes

Podcast #9 UPP

Privacy en het sociaal domein. Iedereen weet dat het een belangrijk thema is. Veel mensen die werken in het sociaal domein merken hoe sterk het aanwezig is in de dagelijkse werkpraktijk. Maar je kunt nou niet zeggen dat het een van de meest geliefde onderwerpen is. In deze podcast gaan we in op dit hot issue. We horen Léon Sonnenschein, projectleider van het traject Uitwisseling Persoonsgegevens en Privacy van het Programma Sociaal Domein. Dit traject staat ook wel bekend als UPP. En we horen Febe Otten, procesadviseur en projectleider bij de gemeente Zaanstad, onder andere op het terrein gegevensuitwisseling. Zij vertellen over de uitkomsten van het traject UPP, over wat er nodig is om gegevensuitwisseling op de werkvloer op de juiste manier te laten verlopen. En het gaat over het conceptwetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein, de Wams. Dit wetsvoorstel is op 19 maart in consultatie gegaan. Zoals je kunt horen hebben we Léon nog live kunnen spreken, maar Febe alleen telefonisch, vanwege het Coronavirus.

Maar allereerst, wat maakt privacy in het sociaal domein nou zo’n complex thema?

Sonnenschein: ‘Privacy is altijd een hot issue bij dienstverlening in het sociaal domein en het zorg- en veiligheidsdomein. Mensen vinden het lastig, omdat er zo veel regels zijn. Het lastige aan regelgeving rondom privacy is dat heel veel regels in allerlei wetten verstopt zitten. En veel van die wetten zijn langs de kokers georganiseerd. En er is weinig aandacht in de wetgeving over de verbinding tussen die kokers. Dat maakt het lastig voor professionals om te kunnen weten welke gegevens, in welke situatie we wel en niet mogen verwerken en uitwisselen.’

Otten: ‘Waar wij als ambtenaren, als gemeente zeg maar, wel eens tegen aanlopen is dat je privacy een beetje droog benadert. Zeg maar, als een juridisch vraagstuk. Alleen dat is het voor de mensen in de uitvoering helemaal niet. Zij krijgen gewoon te maken met verhalen. En in de wet staan altijd mooie regeltjes over dat je moet afwegen of iets proportioneel is en noodzakelijk, al dat soort dingen. Maar de professionals in de wijkteams die denken gewoon; ja, ik moet mijn cliënt helpen.’

Sonnenschein: ‘Nou je ziet dat in praktijk dan heel veel discussie op de werkvloer plaatsvindt over welke gegevens nou wanneer verwerkt mogen worden en waarvoor gebruikt mogen worden. Dus het levert vooral heel veel gedoe op, op de werkvloer.’

Moet er dan niet gewoon betere privacywetgeving komen?

Sonnenschein: ‘Ja, je kunt met wetgeving nu eenmaal niet helemaal, wil je ook niet voorschrijven hoe de uitvoering dingen moet gaan doen. Maar als organisaties dingen op een bepaalde manier organiseren, moeten ze bij het inrichten daarvan ook heel goed nadenken over; en wat betekent dat nou voor de gegevensverwerking? Wat betekent dat voor de mensen die het werk doen, met betrekking tot de gegevens die ze kunnen verwerken en mogen verwerken? En mijn stelling is altijd; gegevenswerk en privacy is voor tachtig procent, wel vijfentachtig procent, een organisatievraagstuk.’

Tachtig tot vijfentachtig procent is een organisatievraagstuk, zegt Léon. En de rest is wetgeving en zorgvuldig handelen van de professional. Laten we dan eerst in gaan op wat nu niet goed gaat met privacy en gegevensverwerking binnen organisaties, en hoe dit beter kan worden ingericht. Hoe gaat Zaanstad hier bijvoorbeeld mee om?

Otten: ‘Toen decentralisaties net een feit waren, toen waren wij heel terughoudend eigenlijk met het meegeven van instructies. Omdat wij ons daar ook wel van bewust waren dat wij als gemeente een stuk verder van de praktijk stonden dan de hulpverleners. En dus hebben we toen vooral een paar richtlijnen meegegeven waar eigenlijk hele simpele zinnen als; maak een afweging over wat wel of niet noodzakelijk is, kijk of je gegevens echt nodig hebt om iemand te kunnen helpen, wees transparant over hoe je je werk doet. Dus als je gaat bellen met de school van een kind ofzo, laat dat die ouders ook even weten.’

In een onderzoek in 2018 gaf de autoriteit persoonsgegevens echter aan dat deze instructies te vaag waren. Zaanstad werkt met de Zelfredzaamheid-Matrix, en daar zei de autoriteit het volgende over.

Sonnenschein: ‘Nou wij vinden dat het niet kan dat je standaard, als iemand met een eenvoudige vraag komt, dat je dan standaard de Zelfredzaamheid-Matrix maar gaat af akkeren. Want er zijn een hele hoop hulpvragen, daarbij is dat gewoon niet nodig. Iemand die met een aanvraag komt voor een scootmobiel hoef je niet meteen te vragen of hij een psychiatrisch probleem heeft of iets anders. Dus dat is niet aan de orde. Er moet een duidelijke link zijn tussen de vragen die je stelt en de informatie die je vraagt en het probleem of de hulpvraag van de burger. Ten tweede dat ze zeiden, ze hadden een aantal dossiers gelicht waarin ze zeiden; ja, we zien dat hier heel veel informatie in de dossiers staat die helemaal niet relevant is voor de hulpvraag. En ook verder niet meer gebruikt wordt in het beoordelen van de hulpvraag. Dus ze zeiden; op het moment dat je vragen stelt aan een burger. Het is logisch dat je een soort gesprek hebt om te verkennen wat is hier aan de hand, waar kun je mee helpen. Nou, we weten dat er misschien schulden zijn en dan weten we dat er sommige andere problemen vaak mee samenhangen. Prima als je dat verkent, maar als je tot de conclusie komt dat uiteindelijk een deel van die informatie niet nodig is, niet noodzakelijk is, dan moet je dat ook niet opschrijven.’

Otten: ‘Dus zijn we nu wat uitgebreider in de instructies die we geven. Maar we merken ook wel dat dat nog steeds heel lastig is. Want het onderzoek van de autoriteit persoonsgegevens was natuurlijk vooral gericht op of wij voldoen aan de wet. En waar dat natuurlijk wel belangrijk is dat je voldoet aan de wet, heb je nog gewoon de praktijk waarin mensen nou eenmaal hun verhaal doen en aangeven dat zij bepaalde dingen wel of niet in hun dossier opgenomen willen hebben. En, ja daar zit altijd wel een dilemma denk ik, zeker voor de mensen in de uitvoering.’

Sonnenschein: ‘Die maatvoering die is heel erg belangrijk. En professionals kunnen dat heel goed, maar je moet ze wel op dat punt zetten.’

Er moet dus een duidelijke link zijn tussen de informatie die je vraagt, de informatie die je registreert, de informatie die je deelt en de taak die je uitvoert. Als je die duidelijkheid hebt verdwijnt niet alle dilemma’s als sneeuw voor de zon, maar je dilemma’s worden er wel een stuk scherper door. Om gemeenten hierbij te helpen is vanuit traject UPP door ministeries en gemeenten een stappenplan opgeleverd. En als er dus een duidelijke link moet zijn welke gegevens je registreert of deelt en de taak die je uitvoert, dan is stap één natuurlijk; met welke taak ben ik nou bezig als professional?

Sonnenschein: ‘Nou, je ziet heel vaak op dit moment in het sociaal domein heel veel gemeenten die taken uitbesteden aan wijkteams. En vaak zie je dat die wijkteams vaak twee verschillende soorten taken doen. Enerzijds, doen ze toeleidingstaken naar voorzieningen, dus bepalen welke voorzieningen een burger nodig heeft. En er is een taak die typisch valt onder de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast zie je dat heel vaak in die wijkteams ook een stuk hulpverlening wordt gedaan.’

Otten: ‘En daar lopen veel mensen bij ons in de jeugddienst wel tegenaan. Dat ze zeiden van goh ik ben altijd jeugdhulpverlener, maar ik werk ook in de gemeentelijke toegang. En in de gemeentelijke toegang heb je te maken met dingen zoals rechtmatigheid, met als je fraude constateert dan moet je daar wat mee. Terwijl als jeugdhulpverlener heb je de instructie dat je dat echt niet mag. Dat de vertrouwelijkheid tussen jou en de cliënt voorop staat. Dus dat zorgt soms wel eens voor dilemma’s voor jeugdhulpverleners die weet ik veel, een wietplantage op zolder tegenkomen. Hoe ga je daar dan mee om? En vaak kan je dan vanuit de veiligheid kan je daar dan nog wel een melding van doen, maar dat is toch steeds een dilemma voor mensen.’

En daarom is stap één van het stappenplan:

Sonnenschein: ‘Begin nou met de vraag; met welke taak ben ik hier bezig? Ben ik hier bezig met een wettelijke taak voor het college om toe te leiden naar hulpverlening? Ben ik bezig met een hulpverleners taak? Andere partijen kunnen weer bezig zijn met het uitvoeren van een jeugdbeschermingsmaatregel, dat zijn allemaal verschillende dingen. Maar je moet je bewust zijn van die taak. De tweede stap, dat is ook heel erg nodig om het in te richten en is; en welke activiteiten verricht ik nu in het kader van die taak? Wat zijn nou die stappen in het werkproces die horen bij die taakuitvoering? Bij het toeleiden naar hulpverlening zet je een aantal stappen. Je gaat verkennen wat is de hulpvraag? Je gaat kijken wat zijn de mogelijkheden om daar wat aan te doen? Dan kunnen we misschien deze en deze hulp verlenen. Wat zijn de criteria? Dus daar zitten allerlei stappen in die heel helder zijn, en daaruit volgt ook eigenlijk heel helder welke gegevens je steeds nodig hebt om te verwerken. Als je met hulpverlening bezig bent, is dat weer een heel ander type proces. Want dan ben je veel meer bezig met iemand te helpen, een open gesprek te voeren over dingen die er aan de hand zijn. En met iemand te zoeken naar dingen die hijzelf kan doen, of in samenwerking met zijn omgeving om tot een oplossing te komen is een heel ander type proces. Waarbij je dus ook hele andere gegevens en vaak veel diepe gegevens verwerkt. Het nadenken over wat hoort nou waar, is een hele belangrijke om te kunnen nadenken over de gegevens die je verwerkt.’

Om vervolgens bij stap drie aan te komen, wat zijn dan de noodzakelijke gegevens per doel?

Sonnenschein: ‘Nou, heel vaak zie je dat dat doel een beetje op een heel abstract hoog niveau wordt benoemd. ‘Wij werken aan dat het beter gaat met jongeren of met een samenhangende wijk.’ Maar dat doel, als je echt wil nadenken over de noodzaak van gegevens, dan moet je dat doel veel specifieker koppelen aan de stap waar je mee bezig bent in het proces. Als ik nog een beetje aan het verkennen ben met iemand van goh wat voor hulpvraag heb je eigenlijk, dan is dat iets heel anders dan als je denkt van nou, deze persoon die heeft schuldenproblematiek en dus ga ik al een aantal stappen dieper om te kijken hoe groot zijn die schulden? Maar ook, wat zijn de achterliggende oorzaken van die schulden? Op het moment dat je aan het toetsen bent of iemand in aanmerking komt voor een voorziening, ja dan hoef je vooral maar gegevens te werven om te toetsen op een aantal criteria. Zo zie je dat eigenlijk per stap veel meer je moet kijken welke gegevens noodzakelijk zijn. En dan valt mij altijd op als je dat gesprek voert met professionals, dat als je dat maar even zo meer behapbaar maakt voor hun, met de vraag van goh maar als je nou hier mee bezig bent, wat zijn dan de gegevens die je nodig hebt. Dat ze dat dan eigenlijk steeds heel goed kunnen benoemen. En het interessante is dat je dan a, ziet dat je opeens het idee van we hebben heel veel gegevens nodig, dat wordt heel snel wat kleiner tot naar, ja maar op dit moment heb ik eigenlijk maar deze en deze gegevens nodig. Misschien heb ik later wel meer gegevens nodig, maar nu heb ik alleen maar een beperkte hoeveelheid gegevens nodig. En daarmee maak je natuurlijk de vraag of het mag of niet mag maak je daarmee ook een stuk kleiner.’

Otten: ‘Ja, bijvoorbeeld als een school een kind aanmeldt. De school wil dan een terugkoppeling van hoe het staat met die casus, alleen de jeugdhulpprofessionals denken niet altijd dat een school dat allemaal hoeft te weten. Dus daar zijn wel eens gesprekken over. Dat we gaan kijken hoe kunnen we er nou voor zorgen dat ze op school wel het idee krijgen van deze leerling wordt geholpen, zonder dat ze alle ins en outs van een casus weten.’

Ook Léon noemt een voorbeeld waarin de gemeente graag inzage wilde in een behandelplan van een jeugdhulpverlener.

Sonnenschein: ‘Nou, dat behandelplan is iets wat juist heel erg valt onder het beroepsgeheim van een jeugdhulpverlener. Die wil best wel informatie verstekken, maar niet een heel behandelplan, dat is veel te gevoelige informatie. Toen gingen we met die mensen van de gemeente en die jeugdhulpverlener gingen we het hebben over, wat is nou eigenlijk de beslissing waar je voor staat? En toen zei die man van de gemeente; ja, ik moet beoordelen of het onder de lichtere vormen van hulpverlening valt of onder de zwaardere vorm van hulpverlenen. En toen vroegen we van; maar wat zijn nou die criteria die daarvoor maatgevend zijn? En toen zei hij; maatgevend is, of iemand met een bepaalde specialisatie wordt ingezet of niet. Toen zeiden wij van; oh, dus je hoeft niet het hele behandelplan te weten, je wil weten of iemand met een bepaalde specialisatie wordt ingezet of niet. Ja, dat is wat ik wil weten. Toen zei die jeugdhulpverlener; ja, dat kan ik je wel vertellen. Je ziet ook doordat vaak de onhandige vragen gesteld worden en eigenlijk niet goed stilgestaan wordt bij; van wat moet ik nou eigenlijk weten? Wat is de afweging waar ik voor sta? Dat daar vaak ook heel veel discussie ontstaat, omdat mensen de nijging krijgen om veel meer gegevens op te vragen dan noodzakelijk.’

Stap één is dus je afvragen met welke wettelijk taak of welke werkzaamheden ben ik bezig? Stap twee, welke activiteiten en doelen komen voort uit deze taak? En stap drie, wat zijn dan de noodzakelijke gegevens per doel? Om tot slot uit te komen bij stap vier, wat is de juridische onderbouwing voor gegevensuitwisseling?

Sonnenschein: ‘Nou eigenlijk zeg je, als je dan die taak hebt en die activiteit en de noodzaak per stap een beetje, als je dat soort vragen steeds stelt. Ja dan kun je vaak ook wel beoordelen van, nou kan het nu wel of niet? Want op het moment dat je een wettelijke taak hebt, dan mag je in de regel de gegevens verwerken die noodzakelijk zijn. Maar als jij niet kunt benoemen op grond van welke taak je die gegevens wilt verwerken, ja dan heb je een probleem. En als je niet kunt benoemen waarom de gegevens noodzakelijk zijn, ja dan is dat een probleem. Ik spreek heel veel privacy offices van allerlei organisaties, en dan zeggen ze; ja, en dan komen de mensen altijd bij mij met de vraag van mag het of mag het niet? En dan is eigenlijk altijd het antwoord wat een privacy office geeft is; ik zou het niet weten, want geef mij eerst meer informatie. Van, waar ben je mee bezig? Welke taak voer je uit? Wat ben je aan het doen? Waarom heb je op dat moment die gegevens nodig? Kun je dat goed onderbouwen? En dan kom je meestal wel een heel eind. In de regel moet de organisaties aan professionals duidelijk maken, kijk je bent bezig met deze wettelijke taak en daarom mag je gegevens verwerken. Maar welke gegevens in dit specifieke geval noodzakelijk zijn, dat is jouw professionele afweging. Maar je moet het wel kunnen onderbouwen, en daar moet je dan goed over nadenken dat je niet meer gegevens steeds vraagt of verwerkt dan nodig.’

Die heldere koppeling dus tussen taak, doel en uiteindelijk benodigde gegevens maakt volgens Léon dus ongeveer tachtig tot vijfentachtig procent van de privacyvraagstukken uit.

Sonnenschein: ‘Maar dat blijft wel altijd iets knagen en dat heeft te maken met een onvolkomenheid die zit in de regelgeving rondom gegevensverwerking en privacy. De opzet van de decentralisatie was destijds de slogan; één gezin, één plan, één regisseur. Wat impliceert dat als een burger meerdere problemen heeft of er in een gezin meerdere problemen spelen, dat je dan tot een samenhangend plan kunt komen om die vraagstukken in samenhang op te lossen. Nou de autoriteit persoonsgegevens heeft steeds betoogd dat de wetgever dat beter in wettelijke taak had moeten regelen. Zodat er een goede grondslag is voor de gegevensverwerking die nodig is om tot zo’n integrale aanpak te komen. Daar kun je over discussiëren. Het kabinet heeft destijds in een kabinetsvisie aangegeven dat zij van mening is dat die grondslag er wel is. Maar op het moment dat wetgever en toezichthouder daarover blijven discussiëren, is het voor het veld wel belangrijk dat daar een keer duidelijkheid over komt. Daarom wordt er ook gewerkt aan een wetsvoorstel om meer duidelijkheid te geven over de gegevensverwerking rondom die integrale aanpak.’

Het belangrijkste probleem met de wetgeving was eigenlijk de verkokering van die wetten. Febe en Léon vertellen over de belangrijkste inzichten die de werkgroep had van UPP, die zich richtte op de wetgeving.

Sonnenschein: ‘Iedereen heeft het over de AVG, dat weten we inmiddels wel dat die bestaat. Maar de AVG maken is niet zo zeer het probleem, de ingewikkeldheid van regelgeving over gegevensverwerking zit hem in de afzonderlijke materiewetten waar heel veel regels in zitten. En die materiewetten zitten in een koker, en zijn ook gericht op een heel specifiek vraagstuk vaak of op een specifieke doelgroep of een bepaald domein. En er is in die materiewetten, is er eigenlijk zelden of nooit aandacht voor hoe je nou de verbinding kan leggen tussen die domeinen.’

Otten: ‘In de Wmo daar stond een artikel, best wel mooi beschreven dat je als een inwoner een aanvraag doet in het kader van de Wmo, dat je dan als lokale toegang, als gemeente, een onderzoek doet naar de omstandigheden van die persoon. Er stond een heel lijstje met omstandigheden, bijvoorbeeld werk, persoonlijke situatie en in de Wmo werden ook een aantal dingen benoemd die niet per se aan de Wmo gerelateerd waren. Maar meer aan het leven van iemand in zijn totaliteit. Alleen we misten eigenlijk zo’n zelfde soort artikel als iemand een aanvraag zou doen in het kader van de participatiewet, in het kader van de jeugdwet. Want eigenlijk wil je gewoon, het maakt niet uit hoe iemand binnenkomt met wat voor soort vraagstuk, je wil altijd even kijken naar de omstandigheden van die persoon. Zoals dat in gemeente termen heet: de vraag achter de vraag te ontdekken.’

Sonnenschein: ‘Het tweede punt wat je ziet is dat de regelgeving over gegevensverwerking heel erg is geschreven op het uitwisselen van gegevens tussen twee partijen. Dus ik geef gegevens aan jou, A geeft gegevens aan B met een specifiek doel. En we hebben getoetst of die gegevens ook noodzakelijk zijn. En dan kan ik jou die gegevens geven als daar voldoende wetgeving over is. Maar zeker bij die complexe problematiek zit je vaak met meerdere partijen die iets met elkaar moeten. En er is eigenlijk geen goed juridisch kader voor die situatie waarin je een soort van multidisciplinaire setting, eigenlijk in een keer gegevens deelt met meerdere partijen.’

En daarom is dus recent het conceptwetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein in consultatie gegaan. Dit conceptwetsvoorstel is door gemeente en ministerie samen ontwikkeld en gaat redenerend vanuit de werkpraktijk, voor een aantal zaken een juridische onderbouwing bieden.

Sonnenschein: ‘De eerste situatie is, er komt een man of vrouw bij de balie en dan? Wat moet er dan kunnen om a, te kunnen verkennen of er sprake is van meervoudige problematiek om dan eventueel tot een integrale aanpak te kunnen komen. En ook om dan die aanpak in de uitvoering te kunnen coördineren. Waar nu het ingewikkelde zit is dat er gezegd wordt er is geen goede juridische basis om te kunnen verkennen of er sprake is van multiproblematiek. En dat is eigenlijk wat er nou gaat gebeuren. En wat je nou ziet, wat zijn nou eigenlijk logischerwijs de stappen die je dan moet kunnen zetten? Als er een burger meldt met een vraag dan moet je kunnen verkennen, goh is er hier meer aan de hand? Dus één ding wat er mogelijk gemaakt moet worden met die wet is dat het college kan verkennen of er sprake is van multiproblematiek en welke partijen dan nodig zijn om tot een goede aanpak te komen.’

Het eerste wat de wet expliciteert is dat het college zo’n verkenning kan doen als een burger zich meldt.

Sonnenschein: ‘Nou dat is mooi als je die verkenning hebt gedaan, of dat onderzoek hebt gedaan, dan weet je wat er aan de hand is. En dan is het natuurlijk ook de bedoeling dat je dingen gaat doen. Dus op basis van dat onderzoek kun je een werkplan samenstellen. Dan zeg je, oké goed als dit het probleem is dan maak je afspraken, dan ga jij dit doen en de zorgverlening gaat dit doen. Als college verstrekken we deze voorzieningen. En dat doe je in samenspraak met de burger natuurlijk. De burger kan alleen hulp krijgen als die dat zelf ook wil in dit soort situaties. Maar dan kun je een werkplan opstellen. En dan moet je oppassen dat er niet het ene plan over het andere heen buitelt. Want vaak zitten er in heel veel deeltrajecten ook allerlei werkplannen. De jeugdwet kent een gezinsplan en dergelijke. Ik denk dat in de wet zoals hij eruit komt te zien, het werkplan veel meer bedoeld wordt als een manier om de afspraken en de verschillende trajecten die al lopen, om die te kunnen coördineren. Dat is geen zwaar plan in de zin van dat dat alle andere plannen overbodig maakt. Het is ook niet dat het andere plannen overruled, maar het moet vooral gezien worden als een werkplan dat in staat stelt om de verschillende trajecten die al lopen, om die goed met elkaar te kunnen afstemmen. Het derde is natuurlijk, het werkplan is natuurlijk één ding, maar als je nou met zijn allen tot zo’n integrale aanpak gekomen bent, is het ook wel handig als je tijdens de uitvoering die afstemming vasthoudt en die coördinatie kunt voeren. Met elkaar regelmatig kijkt of het plan doet wat het moet doen, of er misschien ergens een bijstelling nodig is. Misschien een traject heeft zijn werk gedaan, dan hoeft die partij daar ook niet meer verder bij betrokken te zijn. Dus die coördinatie, dus eigenlijk de derde stap die gereld zou worden in het wetsvoorstel.’

Het conceptwetsvoorstel verankert dus dat het college verkenning mag doen, een werkplan mag opstellen en vervolgens daar coördinatie op mag zetten. Dat klinkt niet als hele baanbrekende nieuwe dingen.

Sonnenschein: ‘Nou, het gaat er eigenlijk niet zo zeer om dat dit wetsvoorstel nou hele nieuwe dingen regelt of nieuwe dingen mogelijk maakt. Het gaat veel meer om het expliciteren van de taken die eigenlijk beleidsmatig al bij, met name het college van B&W, liggen. Eigenlijk is dat ingezet door de kritiek van de autoriteit persoonsgegevens die steeds heeft gezegd; wij vinden dat de wetgever een beter juridisch kader had moeten regelen voor het verwerken van de gegevens ten behoeve van de integrale aanpak bij meervoudig- of multiproblematiek.’

Ook voor twee andere situaties regelt deze wet een juridische basis. De aanpak is hierbij vergelijkbaar.

Sonnenschein: ‘De tweede situatie waarnaar gekeken wordt is, je ziet vaak bij multiproblemen zeker bij de complexe casussen dat eigenlijk al heel veel gebeurt rond om een gezin. Maar dat de samenwerking tussen de betrokken partijen niet goed van de grond komt. Of dat een hulpverlener wel zien, ja ik kan nu wel in mijn eentje blijven ploeteren, maar de problematiek is veel zwaarder. Dus we moeten met meerdere partijen aan de slag. En dan zie je dat er nergens in de wetgeving een goed haakje is voor een partij om die samenwerking te organiseren. Dus het tweede onderdeel wat in die wet geregeld wordt is dat professionals die dat signaleren, van hé hier is een gezin met zware problematiek en we zien dat de samenwerking niet goed van de grond komt. Dat ze dan een beroep kunnen doen op, in dit geval zou dat wel het college van B&W worden, om die samenwerking te gaan organiseren. In zekere zin zet je dan eenzelfde soort stappen als in de situatie dat een burger zichzelf meldt. In de zin dat het college verkent wat er dan aan de hand is, welke partijen eventueel betrokken zouden moeten worden, die het plan kan opstellen samen met die partijen en tot coördinatie kan komen.

Alleen, het is wel zo dat je kunt zeggen, het is toch wel wat anders of een burger zichzelf meldt en zegt ik heb hulp nodig, help mij. Of dat een instantie eigenlijk zegt, ik zie dat het niet goed gaat met die persoon dus ik ga hem melden om tot een integrale aanpak te komen. Natuurlijk mag je ervanuit gaan, van dat die instantie, dat eerst probeert met die burger zelf te overtuigen dat het nuttig is om die stap te zetten. Maar je ziet ook dat in sommige gevallen, zeker als er vaak sprake is van ernstig overlastgevend gedrag of van bepaalde problematiek, zie je ook vaak dat dit vaker voorkomt bij mensen die zorg mijdend zijn. Maar dan moet je wel extra criteria stellen, voor die bevoegdheid ingeroepen kan worden.

En het derde wat er geregeld wordt is, nou er zijn al vrij lang meldpunten in Nederland. Meldpunten voor personen met verward gedrag, mensen die kampen met psychische problematiek. En dan kunnen buren bijvoorbeeld, die zien van hé het gaat volgens mij niet goed er is iemand die heeft hulp nodig, die kunnen dan een melding doen bij zo’n meldpunt. Daarvan zien we dat daar eigenlijk ook wel betere juridische basis nodig is om dat te regelen. En dat wordt in het wetsvoorstel geregeld.’

Otten: ‘Dus zodra die wetgeving er is, denk ik inderdaad dat het een stuk makkelijker wordt om gegevens uit te wisselen. Niet per se dat je dan niet meer kritisch moet zijn of het wel nodig is, en of het proportioneel of noodzakelijk is. Maar wel dat het mogelijk is om in één plan zowel de problemen van een kind te benoemen als die van een ouder. Of dat je echt een gezinsplan kunt maken op verschillende terreinen.’

We hebben het in deze aflevering gehad over privacy en gegevensuitwisseling. Een lastig onderwerp dat voor veel onduidelijkheid op de werkvloer kan zorgen. Om een goede afweging te kunnen maken over gegevensuitwisseling, is het vooral belangrijk om steeds scherp te zijn op met welke wettelijke taken en werkzaamheden de professional bezig is. De bijbehorende activiteiten en doelen, en vervolgens de daarvoor noodzakelijke gegevens. Pas als dat inzichtelijk is volgt de juridische vraag naar de onderbouwing wat nu wel en niet mag. Daarom zei Léon dat uitwisseling van persoonsgegevens voor tachtig of vijfentachtig procent een organisatievraagstuk is. Daarnaast is er nu wel het conceptwetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein, om meer duidelijkheid te geven over gegevensverwerking rond integrale aanpak. Het conceptwetsvoorstel kun je vinden op www.internetconsultatie.nl/meervoudigeproblematiek. Je kunt ook kijken op de website van het Programma Sociaal Domein, daar vind je ook meer informatie over het stappenplan waarover Léon vertelde. Heb je zelf ideeën voor deze podcast reeks? Een verhaal dat je wil delen of een tip voor ons? Laat het ons vooral weten. We horen het graag. Voor nu, dank voor het luisteren/ lezen!

Podcast #10: Naar een interbestuurlijk verbond

De decentralisaties van het sociaal domein zijn nu vijf jaar gaande. Wat voor effect heeft deze enorme operatie gehad op de bestuurlijke samenwerking tussen Rijk en gemeenten? Waar gaat het goed en waar ontstaan spanningen? In deze podcast vertellen Rien Fraanje van de Raad voor openbaar bestuurd (ROB) en Sanne van Eerden van het Programma Sociaal Domein wat de consequenties zijn geweest voor de bestuurlijke verhoudingen in het sociaal domein.

> Beluister via Spotify of iTunes

Podcast #10 Naar een interbestuurlijk verbond

Podcast #11: Een inclusieve arbeidsmarkt voor iedereen

‘Er moet echt iets gebeuren aan ons arbeidsmarktstelsel.’ Dat is de conclusie van de Commissie Borstlap, die onderzoek deed naar de staat van de Nederlandse arbeidsmarkt. In januari verscheen hiervan het onderzoeksrapport. In deze podcast vertelt commissielid Saskia Klossen, hoogleraar sociaal recht en lid van de SER, wat de commissie heeft gesignaleerd. Aangevuld door een praktijkverhaal van Joost Bruggeman van de gemeente Leiden en door de visie van Erik Dannenberg, directeur van Divosa, gaat ze in op de fundamentele kritiek van de commissie. En vervolgens op de vraag hoe we het uitkeringsbeleid echt productief maken. Hoe zorgen we ervoor dat iedereen de intrinsieke waarde van werk kan ervaren?

> Beluister via Spotify of iTunes

Podcast #11 Een inclusieve arbeidsmarkt voor iedereen

Podcast #12: Een kansrijke start

Of een kind een met gezonde of juist een valse start zijn leven begint, heeft cruciale gevolgen voor de kansen in de rest van zijn leven. En de start begint al in de baarmoeder, helemaal aan het begin van de zwangerschap. Als vrouwen in armoede leven, heeft dit grote negatieve gevolgen voor het embryo, de baby en later het kind. Om die kansen te vergroten, werken het medisch en sociaal domein daarom samen in het programma Kansrijke Start. In deze podcast vertellen Eric Steegers, hoogleraar gynaecologie aan het Erasmus MC en Jordy Clemens, wethouder in Heerlen, over “sociale verloskunde” en over het programma. Hoe hangen armoede, zwangerschap en levensverwachting met elkaar samen? Waarom zijn er zulke grote gezondheidsverschillen tussen pasgeborenen in Nederland? Hoe ziet de levenslange impact van een slechte levensstart eruit? En vooral: wat kunnen we doen om die eerste duizend dagen zo goed mogelijk te laten verlopen?
 

> Beluister via Spotify of iTunes

Podcast #12 Een kansrijke start

Podcast #13: Kansenongelijkheid in het onderwijs

Elk kind heeft recht op onderwijs waarbij een zo volledig mogelijke ontplooiing van het kind centraal staat. Toch heeft niet elk kind dezelfde mogelijkheden om zich volledig te ontwikkelen in ons land: er is sprake van kansenongelijkheid. Waarin bestaat de kansenongelijkheid in Nederland en hoe kunnen we het bestrijden? Welke rol spelen scholen hierin en welke rol kunnen gemeenten daarin pakken? We spreken met Illiass el Hadioui, onder andere onderwijssocioloog verbonden aan de Erasmus Universiteit en met Yolande Beer, rector van het Lyceum van Rotterdam, over haar ervaringen met kansenongelijkheid in het onderwijs. Ufuk Kâhya, wethouder duurzame mobiliteit, talentontwikkeling en welzijn in Den Bosch, geeft ons een inkijkje in zijn dagelijke werk en hoe dat raakt aan kansenongelijkheid voor kinderen in het onderwijs. Nieuwsgierig naar de podcast?

> Beluister via Spotify of iTunes.

Podcast #13: Kansenongelijkheid in het onderwijs

Podcast #14: Nieuwe wet Inburgering: Iedereen doet mee, het liefst door betaald werk

Per 1 juli 2021 treedt de nieuwe wet inburgering in werking. Het doel is dat inburgeraars de Nederlandse taal op een hoger niveau leren spreken en dat er een betere verbinding komt tussen inburgering en werk of een andere vorm van participatie.

Waarom moet het huidige stelsel worden veranderd? Waarom krijgen gemeenten een prominente rol in de nieuwe wet? En wat is ervoor nodig om te zorgen dat nieuwe Nederlanders daadwerkelijk snel en succesvol inburgeren?

In deze aflevering hoor je Liesbeth Bos van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Eleonora Paauwe van de gemeente Leiden en Sirin Yikilmaz-Akel van NCB opleidingen.

En dat allemaal rondom het motto: “Iedereen doet mee, het liefst via betaald werk”.

Beluister via Spotify of iTunes

Nieuwe Wet inburgering: Iedereen doet mee, het liefst via betaald werk

Je luistert naar Zaaigoed onderdeel van het Programma Sociaal Domein, inspiratie voor en door rijk en Gemeente.

Allard Amelink: ‘Per 1 juli 2021 treedt de nieuwe Wet inburgering in werking. Het doel van de wet is dat inburgeraars de Nederlandse taal op een hoger niveau leren spreken en dat er een betere verbinding komt inburgering en werk of een andere vorm van participatie.

Waarom moet het huidige stelsel worden veranderd? Waarom krijgen gemeenten een prominente rol in de wet? Op welke manier wordt de fraudegevoeligheid die in het huidige stelsel zit tegengegaan? Wat is er voor nodig om te zorgen dat nieuwe Nederlanders daadwerkelijk snel inburgeren?

In deze aflevering hoor je Liesbeth Bos van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Eleonora Paauwe van de gemeente Leiden en Sirin Yikilmaz-Akel van NCB opleidingen. Die onder andere taalcursussen en geeft. En dat allemaal rond het motto: “Iedereen doet mee, het liefst via betaald werk”.

Allereerst, als we kijken naar het huidige stelsel: Wat gaat er dan niet goed? Je hoort Liesbeth Bos, lid van het management team van de directie Samenleving en integratie van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Zij geeft leiding aan een team dat zich bezighoudt met inburgering. En Eleonora Paauwe, projectleider bij de gemeente Leiden onder andere op het dossier statushouders.

Eleonora Paauwe: ‘De kern van het huidige inburgeringsstelsel is de eigen verantwoordelijkheid van de nieuwkomer. En daar zat ook gelijk hun kwetsbaarheid. Want nieuwkomers spreken de taal nog niet, weten de weg nog niet in Nederland.’

‘En om hen dan tienduizend euro te laten lenen en zelf hun inburgering voor elkaar te krijgen, is veel gevraagd. En dat werkt dus ook niet. Daar kwam bij dat als je het niet haalde dat je die tienduizend euro moest gaan terugbetalen. Dus inburgeraars waren bereid alles op alles te zetten om het maar te halen. Maar het liefst op een zo'n laag mogelijk niveau, want dan was de kans zo groot mogelijk dat je het redde.’

Liesbeth Bos: ‘Qua prikkels in het huidige stelsel is het lastig dat het niet heel erg gestimuleerd wordt om op een hoger niveau te inburgeren. En sommige statushouders willen dat gewoon echt heel graag, die willen graag door in het traject. Maar die zaten dan aan het eind van hun lening bijvoorbeeld. Hadden er wel iets over, maar hadden alle examens al gedaan. Dus konden niet meer verder.'

'Dus in die zin ontbraken er prikkels om op hoger niveau in te burgeren. En ook om te participeren in de maatschappij. Dat was niet in eerste instantie wat het stelsel gelijk aandroeg. Maar waar wel behoefte aan was bij het statushouderschap. Want heel veel mensen hadden het gevoel dat ze een beetje passief moesten afwachten totdat hun reguliere inburgeringstraject voorbij was. Pas dan konden ze aan hun echte leven beginnen.'

Eleonora Paauwe: ‘Naja, daarmee werd het een stelsel waarin eigenlijk alle prikkels verkeerd stonden. Mensen begonnen te laat, kwamen op een te laag niveau uit en raakten in de problemen. Terwijl je juist wil dat inburgering jou net dat zetje geeft dat je nodig hebt aan het begin om je weg te vinden in Nederland.'

'Nou, gelukkig is in het regeerakkoord een andere koers ingeslagen. Waarbij de kern eigenlijk is: dat er een hoger taalniveau wordt gevraagd, een taalniveau waarmee de kansen dat je echt mee kan doen in Nederland groter zijn. Waarbij de connectie met werk veel explicieter wordt gelegd, en de connectie met de rest van het sociaal domein. En waarin de gemeenten weer een belangrijke rol krijgen. En die verantwoordelijk dus niet alleen bij de nieuwkomer ligt.’

Allard Amelink: ‘Om te voorkomen dat de nieuwe wet een puur Haagse papieren werkelijkheid zou worden, koos het ministerie van SZW in overleg met de minister ervoor om eerst een half jaar het land in te gaan. Je hoort opnieuw Liesbeth Bos van het ministerie van SZW.’

Liesbeth Bos: ‘Toen we aan de slag gingen met wat er nou al gebeurde in het land en wat al werkte en welke uitgangspunten wij in onze nieuwe wet op zouden kunnen nemen, waren we echt heel aangenaam verrast over de creativiteit waarmee heel veel organisaties al aan de slag waren. Zelfs in het huidige stelsel kon dat wel.’

Allard Amelink: ‘Eén van de projecten die het ministerie van SZW tegenkwam is het project “Jas” in de regio Leiden. Je hoort opnieuw Eleonora Paauwe van de gemeente Leiden.’

Eleonora Paauwe: ‘Uiteindelijk hebben we gekeken naar wat is er mogelijk en wat is er nodig om mensen aan het werk te helpen of mensen het Nederlandse onderwijssysteem in te krijgen. En toen bleek al snel dat dat meer was dan de reguliere inburgering.'

'Ja, binnen “Jas” hebben wij een driejarig programma waarin wij mensen begeleiden. Het heeft ook bewezen resultaten opgeleverd, waarbij mensen sneller aan het werk kwamen, ook beter een juiste positie vonden. En ook vind ik vooral heel belangrijk dat jongeren een goede positie krijgen in het onderwijs. Dus goed werden begeleid naar het onderwijs toe.’

Allard Amelink: ‘Direct als er iemand een gehuisvest in de gemeente Leiden starten ze met een startgroep.’

Eleonora Paauwe: ‘Waarin we uitleggen wat het Nederlandse systeem inhoudt. Ook qua uitkering, wat wordt er dan van je verwacht? Wat zijn je rechten en plichten? Maar ook gewoon heel breed van hoe werkt dat Nederlandse onderwijssysteem? Hoe werkt inburgering? Gewoon de basisprincipes van wat heb je nou nodig om op te starten in die Nederlandse maatschappij. En dan kijken we ook naar culturele normen en waarden.’

‘Daar hebben we ook een heel traject voor. Om met elkaar in gesprek te blijven van wat betekenen begrippen voor jou? Wat betekent vrijheid? Wat betekent solidariteit? Misschien denk je daar heel anders over dan ik en dan is het leuk om met elkaar in gesprek te blijven daarover.'

'En dat kan iets heel basaals zijn van bijvoorbeeld een dierenambulance. Dierenambulance is voor veel statushouders onbegrijpelijk, omdat ze denken van: Ja, weet je basis mensenrechten worden in heel veel landen als gerespecteerd, laat staan de dierenrechten. En dan heeft het natuurlijk een enigszins komisch effect als je dan kijkt naar een dierenambulance hoe dat wordt ingezet in Nederland. Met wat voor doel.’

‘En dan gaan we in gesprek over: Ja oké, wat doen jullie dan met jullie dieren? Hoe behandelen jullie je dieren? Heb je huisdieren gehad. Het zijn heel basisdingen, maar wel echt leuk om met elkaar het gesprek aan te gaan en het ijs te breken. En vanuit daar kunnen we dan naar zwaardere thema's toegaan, zoals homoseksualiteit en transgender. Ook die themas behandelen we. Het is wel leuk om dat soort ingangetjes te hebben om dan toch op een breder gesprek terecht te komen.’

‘En daarnaast hebben we trajecten die je begeleiden naar werk. Het gaat over vaardigheden. Breder dan het op tijd komen en je ding doen. Werk is natuurlijk wel eens meer dan dat. Het gaat om de menselijke interactie en de communicatie die je hebt met elkaar. En Nederlandse werkgevers zijn natuurlijk gewoon anders dan een Syrische werkgever.’

Allard Amelink: Na het halfjaar onderzoek naar wat er allemaal al gebeurde in het land, waaronder ook dat Leidse voorbeeld is de nieuwe inburgeringswet geschreven.’

Eleonora Páauwe: ‘Wat we graag willen met dit stelsel is dat mensen zo vroeg mogelijk starten op een zo hoog mogelijk niveau. Inburgeren dat doen binnen de daarvoor gestelde termijn en ook zo snel mogelijk een start maken op de arbeidsmarkt. En het liefst zeker geen start maken met alle mogelijke schuldenproblematiek.’

Bos: ‘We hebben de randvoorwaarden van het stelsel vertaald naar één leidend principe en dat was: Iedereen doet mee, het liefst via betaald werk.

Amelink: ‘En hoe gaat dat nieuwe stelsel er dan uit zien? Eén fundamentele verandering is dat de gemeente een hele prominente rol krijgt.’

Bos: ‘Waar het op neer komt eigenlijk is dat wij proberen nieuwkomers zo vroeg mogelijk op te pakken. Dat betekent dat we het programma dat bij het COA loopt als mensen nog in de opvang zitten. Dat we dat steviger vorm geven en stutten. Dus dat wordt een belangrijk startpunt.’

‘En vervolgens vragen we de gemeente om zich eigenlijk zo vroeg mogelijk te ontfermen over de nieuwkomer. Als het even kan al terwijl ze nog bij de opvang zitten, maar in ieder geval zo snel mogelijk nadat ze zich in jouw Gemeente hebben gevestigd. Wat er dan vervolgens gebeurt is dat er een brede intake plaatsvindt. En in die intake worden ik meen dertien domein bekeken en besproken.’

Paauwe: ‘Ja, wat ik heel positief vind is dat er in de brede intake gewoon veel verder gaan kijken dan alleen het traject naar werk of alleen het traject naar onderwijs. Dus we gaan ook echt de verbinding leggen met het andere aspect van het sociaal domein van de gemeente.'

'We kijken naar iemand gezondheid, hoe iemand verder functioneert, wat er verder nog mogelijk is en nodig is om iemand vooruit te helpen. Dus we gaan veel breder kijken dan dat. Dat doen we nu op zich natuurlijk ook wel alleen dan hebben we echt een grond om mee aan de slag te gaan.’

Amelink: ‘De gemeente krijgt dus een centrale rol. Vanuit de brede verantwoordelijk die ze al heeft voor al haar inwoners. De gemeente is nu al betrokken bij de inwoners vanuit het sociaal domein en de Participatiewet. Die integrale bril vanuit de gemeente is zeer welkom, want er zijn nu rondom statushouders heel veel partijen actief. Die lang niet altijd goed met elkaar samenwerken.’

‘Je hoort Sirin Yikilmaz-Akel, projectmanager bij NCB opleiding dat onder andere taalopleidingen en re-integratietrajecten aanbiedt.’

Sirin Yikilmaz-Akel: ‘Dus zij hebben te maken met de gemeente. Daar hebben ze klantmanagers. Ze hebben vaak te maken met een taalmaatje, ze hebben te maken met de contactpersoon bij Vluchtelingenwerk en ze hebben te maken met ons: een taalaanbieder.'

'Alleen soms is het zo dat we niet van elkaar weten of we weten niet precies hoe hun hele dag of hun hele week in elkaar zit. Een concreet voorbeeld is dat ze ook de participatie moeten doen natuurlijk voor de Participatiewet. En dat dat niet altijd door de taalaanbieder zelf gegeven wordt. De gemeente kan daar voor kiezen om dat door iemand anders te laten doen. En dan zit hij bij ons op school drie dagen in de week.'

'En dan krijgen we opeens een brief van: Ik kan de komende tien weken niet komen, want ik moet me het participatietraject doen. Het is natuurlijk ontzettend jammer dat dat langs elkaar heen loopt. Hij mist zijn lesdagen.'

Amelink: 'Naast die brede intake wordt er in het begin ook een leerbaarheidstoets afgenomen.'

Yikilmaz-Akel: 'In die leerbaarheidstoets wordt gekeken of het voor jou haalbaar is om taalniveau B1 te halen. B1 is een verhoging ten opzichte van nu: A2. Dat is dus ook best ingewikkeld, want we zien nu dat A2 voor heel veel mensen al moeilijk is. Dus jeetje mina hoe gaan we dat doen met B1? Maar tegelijkertijd geloven we dat juist als er meer begeleiding is en als het goed ingebed is in een stelsel dat jou ondersteunt dat er veel meer mogelijk is dan wat mensen nu in hun eentje voor elkaar moeten krijgen.'

Amelink: 'Op basis van de leerbaarheidstoets wordt gekeken welke route de inburgeraar gaat volgen. Er zijn drie opties. Allereerst de B1 route waarin de inburgeraar uiteindelijk inburgeringsexamen doet op taalniveau B1. De hoop en verwachting is dat de meerderheid van de inburgeraars deze route doorloopt.'

'Ten tweede is er de onderwijsroute. Het doel van deze route is om met name jongeren zo snel als mogelijk te laten instromen in het reguliere onderwijs door middel van een taal boost. Ten derde is er de Z route, de zelfredzaamheid route. Die in de plaats komt van de ontheffing van de inburgeraar die er nu bestaat.'

Yikilmaz-Akel:'Wat we nu zien is dat voor bijvoorbeeld analfabeten, mensen die heel weinig of formeel onderwijs hebben gehad in hun land van herkomst het echt ontzettend moeilijk om te leren spreken, luisteren in het Nederlands en zeker op B1 niveau. Dat is niet reëel. Wat er nu gebeurd is dat er zeshonderd uur onderwijs volgen, ieder examenonderdeel vier keer te moeten doen om vervolgens ontheven te worden. Het is echt de vraag of de inburgeraar watmee opschiet en of Nederland daar iets mee opschiet. De Z route, de zelfredzaamheid route is een nieuwe route die daarvoor eigenlijk in de plaats komt. En waarin we zeggen: Misschien dat B1 er voor jou niet inzit, misschien dat zelfs A2 er niet inzit.'

'Maar uiteindelijk voed je wel je kinderen op en wil je de weg naar de huisarts kunnen vinden. En moet je naar de fietsenmaker. Je moet je weg gaan vinden in Nederland. Dus we gaan inzetten op een hele praktische leerroute waarbij praktische vaardigheden en taalvaardigheden hand in hand gaan. En waarin ook wordt gekeken wat je kan op het gebied van arbeid en participatie.'

Amelink: 'Iedereen doet mee, het liefst betaald werk. Zo vatte Liesbeth de nieuwe wet samen. En dus is er veel meer en ook eerder in het inburgeringstraject aandacht voor werk en participatie.'

Bos: 'In sommige gevallen zou dat misschien al best snel betaald werk kunnen zijn, dat zou heel mooi zijn. Maar goed, de coronacrisis is er nog overheen gekomen en dat zou voor heel veel mensen lastig zijn onmogelijk betaald werk te vinden. Maar je kan stage lopen, vrijwilligerswerk doen, je kan je oriënteren op de arbeidsmarkt. Er is van alles mogelijk.'

'Afspraken daarover zullen allemaal worden vastgelegd in een soort overeenkomst tussen jou en je gemeente. En dat noemen we het persoonlijk inburgerings- en participatieplan, Pip. In die Pip wordt vastgelegd welke leerroute, wat je gaat doen op het gebied van participatie. Maar er kunnen ook nog aanvullende dingen worden vastgelegd die nodig zijn.'

'En daar komt denk ik om de hoek kijken dat het mooie van dit stelsel is dat de gemeenten nu de regie hierover hebben en dat de gemeenten nu in de positie komen om voor de individuele inburgeraar connecties te leggen met de rest van het sociaal domein  Dus als er op het gebied van de jeugdzorg of op het gebied van schulden of weet ik veel, bedenk het maar: maatschappelijke ondersteuning.'

'Als er iets nodig is dan kan dat in het persoonlijke inburgeringsplan meegenomen worden. En dan komt er een soort afspraak, een uitgangspunt waar inburgeraar en gemeenten vastleggen wat de route zal zijn.'

Amelink: 'Om de participatie te steunen moeten inburgeraars de module arbeidsmarkt en participatie doorlopen. Daarnaast blijven de modulen kennis van de Nederlandse maatschappij, waarin je leert over cultuur, kennis en gebruik in Nederland. En een participatieverklaring bestaan. Nieuw is dat gemeenten de statushouders in ieder geval het eerst halfjaar gaan ontzorgen.'

Bos: 'Een aspect dat ook belangrijk wat in de politiek nog wat aandacht heeft gekregen is het ontzorgen. Dat betekent dat voor iedere asiel statushouder die zich vestigt in de gemeente de eerst halfjaar de gemeente heel veel financiële zaken overneemt. Dus het aanvragen van toeslagen, het betalen van huur.'

'Dat soort zaken worden allereerst door de gemeente gedaan. En tegelijkertijd wordt er gekeken hoe de nieuwkomer zo snel mogelijk in staat kan worden gesteld om zelf die taken ook op zich te gaan nemen. Want uiteindelijk wil je natuurlijk dat mensen het zelf kunnen.'

'De reden om dit zo aan te pakken is dat we eigenlijk willen dat aan het begin mensen niet helemaal verdwalen in die verschrikkelijke bureaucratie. Ik vind het ook ingewikkeld af en toe om mijn weg te vinden in de bureaucratie. En als je dan totaal niet de weg niet weet, geen Digid hebt. Ga er maar aan staan.'

'Dus we willen graag dat de focus is om te inburgeren en zo snel mogelijk je weg vinden. En dan houden we dit nog eventjes van je weg eigenlijk. En tegelijkertijd willen we natuurlijk ook voorkomen dat juist in die eerste periode waarin van alles nog niet goed ingeregeld is, grote problemen ontstaan. Je moet dan wel huur betalen, maar je huurtoeslag krijg je nog niet zou ik maar zeggen. Dan sta je gelijk natuurlijk op 6-0 achterstand.'

Amelink: 'Liesbeth zegt het al: Dit deel van de wet levert wel enige discussie op.'

Bos: 'Het ontzorgen is denk ik één van de meest lastige kwesties in het nieuwe stelsel. Sommige gemeenten doen het al standaard: het ontzorgen gedurende zes maanden. Dat je de vaste lasten betaald als gemeente. Andere gemeenten hebben er bewust voor gekozen om dat niet te doen. Men is nu aan het overwegen van: Hoe gaan we de invulling aangegeven? Doen we het via een budgetbeheer? Via een bewindvoerder? Maar ik vind dat dat ingrijpende maatregelen zijn waarvan de statushouder zich bewust moet zijn: Wat betekent voor mijn financiën? Geef ik nu alles uit handen, want we moeten ook natuurlijk officieel een handtekening zetten om het een en ander uit handen te geven. Dat is niet in alle gevallen even raadzaam. Het is natuurlijk belangrijk dat de statushouder begrijpt: wat doe ik hier en wat betekent dat, wat zijn de consequenties van mijn keuzes? De vraag is of ze dat in alle gevallen even goed kunnen overzien. Niet omdat ze daartoe incapabel zijn, maar omdat ze de taal niet goed beheersen om dat te kunnen begrijpen.'

Amelink: 'De twee grootste veranderingen in het nieuwe stelsel zijn dus de regierol die de gemeente gaat innemen en de nadruk die ligt op participatie zo vroeg mogelijk in het traject. Deze twee punten gaan we nu nader in. De regierol van de gemeente betekent dat de gemeente niet alleen een intake doet en het Pip, het plan inburgering en participatie opstelt. Maar ook blijft monitoren.'

Bos: 'In het huidige stelsel zijn we niet de regie over het traject en kunnen wij eigenlijk officieel de informatie niet inzien of de voortgang van iemands inburgeringstraject. Dat kan alleen als de staatshouder daar zelf toestemming voor geeft en dat gebeurt niet in alle gevallen. En daardoor hebben wij als gemeente ook het gevoel dat wij ook niet de juiste hulp kunnen bieden of de juiste begeleiding op het moment waarop dat noodzakelijk is. Dus we kunnen niet in een vloeiende lijn die voortgang monitor en ervoor zorgen dat iemand op de juiste plek terecht komt. En dat vind ik wel echt een tekortkoming en daar gaan we wel echt iets aan doen.'

Bos: 'Dat is ook niet vrijblijvend. Uiteindelijk verwachten we ook van een gemeente dat als inburgeraars zich niet houden aan de afspraken dat er ook boetes worden opgelegd. Maar daarbij wordt natuurlijk wel gekeken wat vergelijkbaar is en wat redelijk is. Je wilt altijd een systeem hebben dat een goed onderscheid maakt tussen het willen en niet kunnen. En de gemeente is het best in positie om dat te volgen.'

'Is het dan een decentralisatie?, is eigenlijk de volgende vraag. We leggen dus heel veel neer bij gemeenten inclusief de handhaving van een stelsel. Maar nee, wij noemen het geen decentralisatie. Dat is het ook niet helemaal. Een fors deel blijft ook nog centraal. De stelselverantwoordelijkheid blijft bij de minister van SZW liggen en bijvoorbeeld de inburgeringsexamens zijn ook nog centrale examens die door DUO worden afgenomen. Net zoals dat nu het geval is.'

'Ook het eind van de eindbeoordeling: haal jij je inburgering nou na drie jaar? Heb je voldaan aan je inburgeringsplicht? Die beoordeling wordt door DUO gemaakt. Dus het is een wat hybride stelsel. Gemeenten krijgen heel veel mogelijkheden om een rigide op de uitvoering te hebben en tegelijkertijd blijft er nog een gedeelte centraal en is de stelselverantwoordelijkheid op Rijksniveau neergelegd.'

'De gemeenten hebben dus de regierol, maar dat betekent natuurlijk niet dat ze alles zelf moeten doen. De gemeenten zullen in dit nieuwe stelsel als spin in het web organisaties om zich heen moeten verzamelen om samen die inburgerings route voor elkaar te krijgen. Dan denk ik natuurlijk allereerst aan taalscholen en onderwijsinstellingen, maar ook werkgevers zullen een hele belangrijke rol spelen.'

'We hopen heel erg dat de bereidheid die we de afgelopen jaren gezien hebben bij werkgevers ook nu overeind blijft. Organisaties op het gebied van budgetbeheer, schuldhulpverlening die die aspecten rond het ontzorgen op zich kunnen nemen zullen belangrijk zijn.'

'Organisaties als Vluchtelingenwerk die heel veel ervaring hebben in het begeleiden van nieuwkomers in gemeenten zullen een belangrijke rol blijven spelen. Wij gaan dat niet vanuit het Rijk voorschrijven met wie gemeenten dit moeten doen. Maar het is wel duidelijk dat daar een hele kring aan organisaties rondom iedere inburgeraar zal moeten worden gevormd.'

Amelink: 'De gemeenten worden dus ook verantwoordelijk voor het contracteren van de taalscholen. Momenteel is dat nog de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeraar.'

Bos: 'Het gevolg is dat men soms keuzes maakt die niet heel erg handig zijn. Dan laat men zich af en toe leiden door bijvoorbeeldenvooral in de beginfase van het stelsel als dat het geval. Door het aanbieden van een laptop van een taalschool. Dus dan was de prikkel in eerste instantie: Oké, ik krijg een laptop.´ Dus dan is het aantrekkelijk om daar te beginnen. Of ik heb ook meegemaakt dat taalscholen trajecten aangeboden online waarbij men dan alleen een vinkje hoefde te zetten. En dan leek het alsof men dus het traject had gevolgd.'

'Dat soort zaken kwamen wel aan het licht. Ja, dat is natuurlijk onwijs jammer. Ook omdat statushouders daar zelf de dupe van worden. Dat overzicht hebben ze in het bien vaak niet, dan denken ze van : Dat is makkelijk, dan hoef ik niet naar de les. Gewoon even een vinkje zetten en dan is het gedaan. Maar op de lange termijn hebben ze daar natuurlijk heel veel nadeel van.'

In het nieuwe stelsel, als de gemeente ook contractpartij is, kunnen we gewoon duidelijk kwaliteitseisen stellen aan taalscholen en dat goed monitoren. En taalscholen houden aan de afspraak die gemaakt zijn. Ze eigenlijk ook een soort belangenbehartiger voor de statushouder.'

Amelink: 'Binnen het nieuwe stelsel wordt de gemeentelijke samenwerking met taalscholen en werkgevers een heel belangrijke.'

Bos: 'Idealiter is de samenwerking tussen die taalschool, werkgevers en de gemeente er zo uit dat de gemeente dat het echt een organisch geheel vormt. Waarbij de statushouder een mooi traject krijgt waarin een duidelijk taalcomponent zit en ook werknemersvaardigheden natuurlijk. Zodat dan uiteindelijk aan de meest praktische baan gewerkt kan worden die de statushouder kan uitoefenen.'

'Dat is natuurlijk nog wel een uitdaging voor zowel gemeenten, werkgevers en taalscholen, omdat die praktische ervaring bij taalscholen nu vaak ontbreekt. En de werkgever zit in eerste instantie natuurlijk niet te wachten op mensen die een heel basaal taalniveau hebben. Dus zitten ze er nu over te denken om toeleidingstrajecten te organiseren. Dat doen we eigenlijk nu natuurlijk ook al. Maar dan met een meer duidelijke taalcomponent samen met de taalscholen. Om zo meteen die mindset duidelijk te krijgen richting werk.'

Amelink: 'NCB heeft een dergelijk traject opgezet in de 'gemeente Utrecht. Sirin hoorde over het programma Kansrijke start. Over dat programma hebben we eerder in zaaigoed al een keer een aflevering gemaakt.'

Sirin: 'En toen heb ik daar gehoord dat er ontzettend veel kraamverzorgers nodig zijn, vooral in de gemeente Utrecht en Rotterdam. We zijn gewoon zelf gaan proberen om bij kraamzorgorganisaties onze statushouders te plaatsen. Er is heel veel capaciteit en heel veel potentie en hele gemotiveerde en slimme vrouwen die dit zouden willen doen, alleen ze moeten daar wel een kans voor krijgen. En: Staan jullie daar open voor?'

'Naviva kraamzorg was echt ontzettend positief over deze gedachte. En met hun samen hebben we een project opgesteld en dat hebben we uit eigen beweging gedaan. We hebben uiteindelijk gezorgd dat dat een BBL opleiding zou kunnen zijn, dus ROC Midden Nederland is daar toen al bewerking partner aan toegevoegd. En we hebben een schakeltraject verzorgd voor deze vrouwen om zowel op vaktaal, op beroepsvaardigheden, beroepshouding om die allemaal in een korte periode van tien weken hun ei te laten maken. En dat ze daar Naviva kraamzorg een sollicitatiegesprek kregen en daar zijn zeven vrouwen uitgekomen om de bbl- opleiding te gaan doen.'

Amelink: 'Sirin noemt vaktaal en beroepshouding als twee belangrijke elementen in het schakeltraject.'

Sirin: 'Bij Nederlanders die vinden het heel erg normaal dat wij onze baas aanspreken op wat wij goed vinden gaan en wij niet vinden dat goed gaat. Er zijn gewoon cultuurverschillen daar ook in, dus ook de cultuur sensitiviteit zowel in een cultuur op het werk, maar ook als je specifiek naar dit project kijkt. De cultuurverschillen in een huis waar je als kraamverzorgende komt, bijvoorbeeld een vader die zegt van: 'Nou, ik doe vandaag even mijn zwembroek aan, want ik wil graag mijn baby'tje douchen.'

'Ik had een cursist die toen we dat vroegen tijdens de werving en selectie, dat ze echt dacht van: wat, dat kan toch niet?! Dat ze helemaal dichtklapte. Nou ja, dat soort dingen daar moeten ze nu al op voorbereid worden. En bepaalde termen hoor je alleen maar als je in een bepaalde setting zit. Niemand wist wat een monster was.

'Nou ja, dat moeten ze allemaal leren. Ze moeten die specifieke termen al weten. Want stel je voor dat je gewoon in september instroomt en dat allemaal in één keer op je af ziet komen. We proberen natuurlijk ook de uitstroomkansen te verkleinen, want dan heb je een veel hogere kans dat ze denk van: O, dit is toch teveel. Ik denk toch niet dat ik dit ga trekken. En dat ze zeggen dat ze toch niet door willen.'

Amelink: 'Maar hoe goed het schakeltraject ook is, het blijft een stapje extra vragen van een werkgever om een statushouder in dienst te nemen. En eigenlijk is dat altijd lastig voor werkgevers, zo vertelt Eleonora.'

Eleonora:

'In de hoogconjunctuur lopen we er tegenaan dat werkgevers ontzettend druk zijn. Dat hun werknemers allemaal op volle toeren draaien en dus eigenlijk niet altijd de tijd hebben om mensen een goede begeleiding te geven. Dat vergt natuurlijk gewoon tijd. En in een laagconjunctuur zitten ze met het probleem dat er gewoon niet genoeg werk is.'

'En dat werknemers over het algemeen zelf lastig aan een baan komen en dat het dus ook lastig is om onze statushouders te plaatsen. Dus beide gevallen hebben hun uitdagingen. Het is natuurlijk niet onmogelijk om mensen in beide trajecten of beide situaties te plaatsen. Alleen beide situaties hebben hun uitdagingen.'

Amelink: 'Gemeenten zullen daar dus echt een proactieve rol in moeten vullen. Nog meer dan ze nu al bij re integratie trajecten gewend zijn. Welke ander tip heeft Eleonora?'

Eleonora: 'Mijn tip aan andere gemeenten zou zijn om te bedenken dat integratie van twee kanten komt. Dus om altijd in gesprek te blijven, zowel met de stadhouders als met andere partijen in deze, zoals de werkgevers, de taalscholen. Het is geen eenzijdig proces. Probeer daar altijd bewust van te zijn. Verder: monitoren, monitoren, monitoren.'

'Heel belangrijk dat die voortgang in kaart wordt gebracht ook al hebben we daar nu officieel de tools niet voor. Je kan nog steeds heel veel achterhalen. Doe dat ook. Begeleid de mensen zoveel mogelijk. En een andere tip is: Begin zo vroeg mogelijk met dit hele traject, want wij zitten nu in een aanbestedingsproces. En als ik bedenk hoe lang dat heeft geduurd totdat we tot dit punt kwamen dan is het echt belangrijk om zo vroeg mogelijk te beginnen.'

Bos: 'Wat ik echt zou hopen dat gemeenten gaan doen met dit nieuwe stelsel is inburgering onderdeel laten zijn van het Sociale domein, het integraal aanpakken. Van deze problematiek, dus de verbindingen leggen met alle andere aspecten. Niet alleen taal, niet alleen die examens halen, maar ook werken en kijken hoe dat hand in hand van de grond kan komen. Ik hoop dat die kans wordt gezien en wordt gegrepen door Gemeenten. Tegelijkertijd hoop dat er eentje die meer bij het rijk ligt en bij het kabinet dat we even de tijd gaan krijgen om dit stelsel ook tot de was ton te laten komen.'

Paauwe: 'Ik ben heel trots wat we in Leiden allemaal organiseren voor statushouders, dus ik denk dat dat gewoon heel erg veel is. Ik ben daar trots op, omdat dat heel belangrijk is om mensen een goede start te geven in hun leven in Nederland. De Nederlandse maatschappij. Om zo ook de juiste kansen voor hen te creëren op de lange termijn. Want je weet dat als mensen een langere tijd in een bijstandsuitkering zitten dat dat dan steeds lastiger wordt om hen goed op te pakken. Dus als je dat aan de voorkant goed neerzet heb je daar op de lange termijn ontzettend veel profijt van.'

Amelink:

'We hebben in deze aflevering gehoord hoe het nieuwe inburgeringsstelsel eruit gaat zien. Werk en participatie moeten zo vroeg mogelijk een onderdeel worden van het inburgeringstraject. En nou verbonden zijn met het leren van de taal. Gemeenten gaan als meest nabije overheid een sleutelrol vervullen in het stelsel van de brede intake en het ontzorgen, totdat doe doorlopende monitoring en de verbinding met de arbeidsmarkt.'

'Zeker dat laatste zou niet altijd gemakkelijk zijn, maar als het lukt om die verbinding te leggen zorgt het op de lange termijn voor een veel betere aarding van de inburgeraar in de Nederlandse samenleving. Op welke manier ben jij bezig met de nieuwe inburgeringswet. Op welke manier ga jij het ontzorgen inrichten? En hoe leg jij de verbinding tussen werk en taal?'

'We zijn benieuwd naar je verhaal. Ga naar www.programaasociaaldomein.nl om een bericht achter te laten. Daar kun je ook meer informatie vinden over de verschillende projecten die in deze podcast ter sprake zijn gekomen. Voor nu dank voor het luisteren.'
 

Podcast #15: Een zachte landing in de wijk voor kwetsbare groepen

De schaarste op de woningmarkt raakt zeker ook kwetsbare groepen. Als je uit de maatschappelijke opvang, een intramurale instelling of beschermd wonen naar een eigen woning kan, dan moet die woning er natuurlijk wel zijn. En tegelijk is het vinden van het huis maar het begin, want hoe zorg je nou dat iemand goed in zijn of haar nieuwe wijk landt?
Daarop gaan we in, in deze nieuwe aflevering van Zaaigoed. Je hoort Netty van Triest van Platform31, expert op het gebied van wonen en zorg. Sikko Bakker is als strategisch adviseur bij de Vereniging Nederlandse Gemeenten, en betrokken bij de taskforce wonen en zorg. Oscar Boerboom is verpleegkundig specialist binnen de GGZ Oost-Brabant.

Beluister de podcast op Spotify of iTunes

Zachte landing in de wijk voor kwetsbare groepen