Podcast #13: Kansenongelijkheid in het onderwijs

Het "Verdrag inzake de Rechten van het Kind" is er helder over: elk kind heeft recht op onderwijs en dat onderwijs dient zich te richten op "de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind". Nederland is een van de hoogst opgeleide landen ter wereld, maar toch heeft niet elk kind dezelfde mogelijkheden om zich volledig te ontplooien. Waarin bestaat de kansenongelijkheid in Nederland en hoe kunnen we het bestrijden? Welke rol spelen scholen hierin en welke rol is er weggelegd gemeenten pakken?

Je hoort Iliass el Hadioui, als onderwijssocioloog verbonden aan de Erasmus Universiteit en de Vrije Universiteit in Amsterdam, programmaleider van “De Transformatieve School” en lid van de Onderwijsraad. Daarnaast hoor je verhalen uit de praktijk van Yolande de Beer, rector van het Lyceum Rotterdam en eerder conrector en rector van het Marnix Gymnasium, en van Ufuk Kâhya, wethouder Duurzame mobiliteit, Talentontwikkeling en Welzijn in Den Bosch.

Podcast #13: Kansenongelijkheid in het onderwijs

Je luistert naar Zaaigoed onderdeel van het Programma Sociaal Domein, inspiratie voor en door Rijk en gemeenten. 

Het ‘Verdrag inzake de Rechten van het Kind’ is er helder over: elk kind heeft recht op onderwijs en dat onderwijs dient zich te richten op de zo volledig mogelijke ontplooiing van de persoonlijkheid, talenten en de geestelijke en lichamelijke vermogens van het kind. Nederland is een van de hoogst opgeleide landen ter wereld, maar toch heeft niet elk kind dezelfde mogelijkheden om zich volledig te ontplooien. 

Ufuk Kâhya: ‘Ik zie dat talenten wel goed verspreid zijn over mijn stad, maar de kansen en de mogelijkheden om ze te ontwikkelen niet.’

Waarom bestaat de kansenongelijkheid in Nederland? En hoe kunnen we die bestrijden? Welke rol spelen scholen hierin? En welke rol is weggelegd voor gemeenten? Je hoort onderwijssocioloog Illias el Hadioui en we horen verhalen uit de praktijk van rector van het Lyceum Rotterdam, Yolande de Beer en onderwijswethouder in Den Bosch Ufuk Kâhya. En dat allemaal rond het thema: kansenongelijkheid in het onderwijs.

Allereerst, waar hebben we het over als we het hebben over kansenongelijkheid? Je hoort Illias el Hadioui, als onderwijssocioloog is hij verbonden aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en de Vrije Universiteit in Amsterdam. Hij is programmaleider van ‘De Transformatieve School’ en lid van de Onderwijsraad.

El Hadioui: ‘Waar in wezen dat hele idee van gelijke kansen binnen het onderwijs over gaat, is dat leerlingen die ongeveer gelijke cognitieve capaciteiten hebben. Dat die leerlingen een ongelijke behandeling, een ongelijke ruimte hebben om zichzelf te kunnen ontplooien en te ontwikkelen.’

Als je het internationaal vergelijkt is Nederland niet een land dat ongelofelijk ongelijk is.

El Hadioui: ‘Wat er veel meer aan de hand is, is dat Nederland juist zo succesvol is geweest na de oorlog samen met een aantal Scandinavische landen in het ongelofelijk optimaliseren van de kansengelijkheid. Dat is een historisch succes geweest.’

Maar, zegt Illias.

El Hadioui: ‘Kijk, dat is net als met sportwedstrijden. Het is makkelijker om een succes te behalen, dan om het succes te behouden. En we merken dat we de laatste tien jaar. En sinds 2016 wordt dat ook heel erg empirisch en hard gemaakt door de onderwijsinspectie, en dat is heel ongemakkelijk. Maar neemt die kansenongelijkheid toe, of zien we dat de kansenongelijkheid niet afneemt.’

Het moment waar dit heel zichtbaar wordt, is rondom de overgang van het primair onderwijs naar het voortgezet onderwijs. Nederland selecteert in vergelijking met andere landen sowieso al vroeg, namelijk op 12-jarige leeftijd, maar het gaat vooral om het schooladvies dat een basisschooldocent geeft aan leerlingen.

El Hadioui: ‘In elke samenleving heb je in klaslokalen situaties dat kinderen en professionals verkeerde beslissingen nemen. Dat is nu eenmaal wat het is. Maar het gaat hier om het systematische daarvan. Kijk, het wordt ingewikkeld dat inderdaad gemiddeld gezien kinderen van laag opgeleide ouders met 535 op de Cito-toets. Dat ze gemiddeld gezien een mavo- of vmbo-advies krijgen. En gemiddeld gezien krijgen kinderen van hoogopgeleide ouders een havo-advies.’

Dat gebeurt niet met kwade opzet.

El Hadioui: ‘Een leerkracht die voor safe speelt die denk; nou, als ik nu even naar het gedrag kijk van het kind of de motivatie van het kind, dan wel de achtergrondkenmerken van de ouders die misschien wel minder betrokken waren op school. Dan ga ik er maar even van uit dat ja, ik in ieder geval kies voor zekerheid. Ik weet zeker dat deze leerling een mavoklas zou aankunnen, en ik weet het niet helemaal zeker wat betreft een havo-klas. Nou op het moment dat die individuele keuzes steeds gemaakt worden bij een bepaald type kind, dan wordt het natuurlijk ook systemisch en structureel.’

Ufuk Kâhya, wethouder duurzame mobiliteit, talentenontwikkeling en welzijn in Den Bosch ziet dit terug in zijn gemeente. Hij heeft het over het dashboard van de Gelijke Kansen Alliantie, waarop we later nog terugkomen.

Kâhya: ‘De dashboard van de Gelijke Kansen Alliantie haalt allerlei data bij elkaar en geeft wat inzichten. Een van de inzichten die je ziet is de Cito-scores, de schooladviezen en de herziening van schooladviezen. En je ziet dus dat kinderen met ouders die hoger opgeleid zijn, waarbij de ouders mondiger zijn en zo’n school ook benaderen, dat de schooladviezen worden herzien. En kinderen die net zo hoge Cito-toetsscore halen, lager worden ingeschaald waarvan de ouders minder mondig en hoog opgeleid zijn, dat de adviezen niet worden herzien. En dan krijg je stapelaars. Ik kom uit een generatie die allemaal op mavo zijn ingeschaald en universitair zijn geschoold. Ik heb gestapeld en velen van mijn generatie. Dat wil ik voorkomen dat zijn zonde van die jaren.’

Daarbij is etniciteit een bepalende factor, maar ook bijvoorbeeld het opleidingsniveau van de ouders en de sociaaleconomische status van het gezin waar het kind uitkomt. Maar dit hele vraagstuk beperkt zich niet tot alleen maar die overgang van PO naar VO.

El Hadioui: ‘Het gaat ook over het voortgezet onderwijs, de onderbouw naar de bovenbouw. Het gaat natuurlijk ook over de overgang van middelbaar beroepsonderwijs naar hoger onderwijs, of het academisch onderwijs. Op ieder moment in dat systeem vindt die belangrijke keuze plaats. Tegelijkertijd is in onze soort samenlevingen, een meritocratische samenleving, waarin de waarde van jouw maatschappelijke positie en jouw maatschappelijke status, of je dat nou leuk vindt of niet, heel erg gekoppeld is ook aan jouw opleidingsniveau. Dan betekent dat ook dat dit vraagstuk een dieperliggend probleem heeft. Want niet alleen gaat het dan om de individuele kans die je hebt als individueel kind op een specifiek moment ergens in het onderwijstraject. Dat zou je dan nog in zekere zin kunnen fixen. Maar we hebben de afgelopen jaren ook heel veel jongeren, en inmiddels succesvolle professionals aan het woord gezien die kenbaar maken van hé, in het verleden is daar die keuze bij mij gemaakt en dat heeft heel veel sociale pijn ook veroorzaakt. En de vraag is voor elke samenleving, hoeveel sociale pijn een bevolking of een groep in de samenleving kan dragen, in the long run, om niet over te gaan tot het verliezen van het geloof in dat systeem.’

En dat geeft wel aan dat het probleem groter is dan alleen het onderwijs.

El Hadioui: ‘We kunnen moeilijk zeggen dat je advisering door leerkrachten gedaan, of door docenten gedaan geen probleem zou zijn van het onderwijs. Het heeft te maken met de mindset van professionals. Maar het heeft ook te maken met de betrokkenheid van ouders op dat vlak. Het heeft ook te maken met de motivatie van kinderen. Het heeft ook te maken met het geloof in eigen kunnen van kinderen enzovoorts, enzovoorts.’

Kâhya: ‘En dat heeft de Coronacrisis nu misschien wel extra blootgelegd. Want op school valt dat misschien iets minder op, maar of je a. thuis een laptop hebt of niet of die moet delen met iemand of niet om online onderwijs te kunnen volgen, legt al iets bloot. Of je dat in stilte en rust op je eigen kamer moet doen, of dat je dat doet in een kamer die je deelt met twee andere broertjes of zusjes, legt wat bloot. Of je ouders of een broer of zus hebt die je kan helpen met je huiswerk en het uitleggen van opdrachten of niet, legt wat bloot. Dus dat investeren in die gelijke kansen gaat niet over extra huiswerkbegeleiding, of nog meer inzet op cognitie. Dat gaat over het versterken van het geloof in dat je dingen kunt. En dat kunnen jongeren als je ze de mogelijkheid geeft.’

El Hadioui: ‘Geloof in eigen kunnen, wat door onderwijspsychologen verre weg voor de belangrijkste factor voor studiesucces wordt gehanteerd. De zogenaamde ‘self-efficacy’, het geloof in eigen kunnen. Het geloof dat jij in controle bent over jouw eigen leerproces. Het geloof dat jij niet alleen eigenaar bent van het proces, maar dat je ook effect kan hebben op jouw eigen leven. Het tegenovergestelde daarvan is fatalisme.’

Kansenongelijkheid in het onderwijs is een veel koppig monster. Het komt voort uit een laag verwachtingspatroon ten aanzien van kinderen uit gezinnen met een lage sociaaleconomische status, kinderen met een migratieachtergrond of kinderen met laagopgeleide ouders. Het heeft te maken met de steunstructuur rondom een kind die sterk kan wisselen. Van het taalniveau dat je vanuit huis meekrijgt tot of je een rustigere werkplek hebt thuis, tot of je ouders gaan klagen als ze vinden dat je een te laag schooladvies hebben gekregen. En het heeft te maken met een laag zelfbeeld bij het kind, onvoldoende geloof in het eigen kunnen. Wat natuurlijk sterk samenhangt met die eerste twee zaken. En de impact is gigantisch, want deze mechanismes blijven aan het werk. En ofwel je moet opleidingen stapelen zoals Ufuk Kâhya heeft gedaan, omdat je niet op waarde wordt geschat. Ofwel je verliest je geloof in de samenleving. Wat kunnen we hiermee? We gaan naar Yolande de Beer, zij is nu rector van het Lyceum Rotterdam en was eerder conrector en rector van het Marnix gymnasium. Toen zij in 2007 startte op het Marnix, viel haar wat op aan de leerlingenpopulatie. 

De Beer: ‘Hele leuke kinderen, maar vrij homogene samenstelling van deze leerlingen. En eigenlijk helemaal geen afspiegeling van het Rotterdamse. Als je natuurlijk kijkt dat Rotterdam bestaat uit heel veel kinderen van allerlei verschillende afkomsten. Dat zag ik niet terug in de school, of in ieder geval heel erg weinig. En eigenlijk klopt dat niet, want wij dachten van ja volgens ons zijn alle kinderen van alle verschillende afkomsten slim, slimmer of slimst en zit daar geen verschil in in afkomst. Dus zijn wij daar eens goed naar gaan kijken.’

Allereerst nam de school een drempel weg.

De Beer: ‘Op de eerste plaats was er toen nog een verbod op hoofddoekjes. Nou daar waren allerlei redenen voor, maar dat helpt niet als je je school wat diverser wil maken. Want je sluit natuurlijk bij voorbaat al een hele groep uit.’

En daarnaast ging de school werken aan zijn bekendheid.

De Beer: ‘En we zijn bewust alle basisscholen gaan bezoeken, ook in de binnenstad van Rotterdam. We zijn bekender geworden en ze hebben toen een school oudercontactpersoon aangetrokken, en die stond dan met de open dag bij de ingang. Heel zichtbaar. Dat was een hele leuke dame, was van Marokkaanse afkomst. En de mond-op-mondreclame dat deed echt nog heel erg zijn eigen werk. Binnen de Marokkaanse, de Turkse, de Surinaamse gemeenschap, werden wij ook bekend. En toen kwam ook wel: daar moet je ook eens gaan kijken. En: daar kan je best wel heen. En dat gebeurde ook. Zo’n beetje 2008-2009 ziet dat de samenstelling van klas 1 veel diverser werd.’

Toch leeft het idee dat er meer aan de hand was dan alleen het bekendheidsvraagstuk. Yolanda werd benaderd door een collega rector van een ander gymnasium Rotterdam van het Erasmiaans. 

De Beer: ‘Hij had nog een veronderstelling, dat kinderen op een basisschool vanwege taalachterstand waarschijnlijk best wel gymnasium aan zouden kunnen, maar daar misschien nog niet helemaal aan toe waren. Toen kwam het idee om een talentenklas te starten voor groep 8, kinderen die dan volgens de basisschool wel veel potentie hadden maar zonder extra werk dat toch niet op tijd uit zou komen. Die zouden dan gedurende heel groep 8 op woensdagmiddag extra lessen gaan volgen op het Erasmiaans en op het Marnix. En mogelijk zou dan kunnen dat ze na dat jaar dus een hoger advies zouden krijgen. Dus dat ze dan wel dat vwo-advies zouden krijgen wat ze in groep 7 nog niet hadden gekregen. Dat zijn wij dus gestart, en dat was eigenlijk heel erg succesvol. Wij dachten in het begin, die kinderen krijgen vooral extra taalles omdat ze hadden vooral een taalachterstand, woordenschat, begrijpend lezen. We deden veel debatteren met ze, vragen stellen in de klas, juist kritisch zijn. Want alle dingen die je op een gymnasium juist moet doen, dat is dingen niet zomaar aannemen als een docent dat tegen je zegt, zelf denken, vragen durven stellen. Dat zijn eigenlijk codes die deze kinderen van huis uit niet altijd meekrijgen. Het is juist vaak meer van doen wat je gezegd wordt. En het bleek inderdaad dat best veel kinderen die aan het eind van groep 7 dan nog een havo of een havo/vwo-advies hadden, inderdaad aan het einde van groep 8 een vwo-advies konden krijgen van hun basisschool. En ik denk dat van elk jaar ook wel een derde van de kinderen dan daadwerkelijk naar een gymnasium ging, en die waren daar dan ook wel succesvol. En later hadden we veel meer in de gaten dat het misschien nog wel veel meer lag in dat die kinderen zich enorm gezien voelde. Zij ervaarde dat natuurlijk helemaal niet als extra taalles, nee, jij was uitverkoren want men zag iets in jou. Dus dat gaf natuurlijk zo’n trots en zo’n motivatie dat dat denk ik heel stimulerend is geweest. Het wordt momenteel ook onderzocht door de Erasmus Universiteit, het effect van een talentenschool. En het lijkt erop dat het inderdaad ook wetenschappelijk vast te stellen is dat dat effectief is. Dus dat is echt wel heel erg mooi.’ 

De talentklassen in Rotterdam worden gefinancierd door de gemeente Rotterdam. En inmiddels is het concept verder uitgebreid ook naar andere schoolniveaus. Het Marnix wist op deze manieren dus de instroom van leerlingen meer een afspiegeling te laten zijn van de samenstelling van de stad. Maar vervolgens bleek het een grote uitdaging om deze leerlingen ook vast te houden. Uitstroom in klas 1 en 2 is niet heel verwonderlijk, het kan ook gewoon zijn dat het toch iemands niveau niet is. Maar er was opvallend veel uitstroom van leerlingen met een multiculturele achtergrond in de klassen 3 en 4. 

De Beer: ‘En er was ook een gevoel bij deze leerlingen van docenten van ja ze kunnen het wel, allen op de een of andere reden lukt het niet. De resultaten gaan achteruit en het gevoel was veel meer dat het zat in motivatie, in niet meer zich ervoor willen inzetten. Het gevoel ook van op de een of andere manier voelen die kinderen zich uiteindelijk toch er blijkbaar niet helemaal bij horen.’

Dus werd Illias el Hadioui gevraagd om langs te komen.

De Beer: ‘Zeker als er mensen van buitenaf iets komen vertellen dan hebben de docenten heel gauw van, nou ik ben benieuwd. En dit was echt van; zó dit gebeurt bij mij, dit gebeurt in mijn klas. En dan ging het om groepsdynamiek. Groepsdynamiek die anders is, kijk het waren docenten die al heel lang voor de klas stonden, die echt wel orde konden houden, maar toch het gevoel hadden dat. Die klassen waren een diversere samenstelling geworden. De verschillen tussen leerlingen waren groter, en ze hadden het idee, van sommige kinderen bereik ik niet. Ik kan met de meeste kinderen, kan ik een lijntje leggen. En dat lijntje heb je eigenlijk nodig in de relatie dat kinderen ook gemotiveerd zijn om te leren, en met sommige kinderen kan ik dat lijntje niet meer zo makkelijk leggen, het is niet meer zo vanzelfsprekend.’

En dat heeft te maken met de verschillen ladders of verschillende codes.

De Beer: ‘Je hebt de thuisladder, de schoolladder en de straatladder. En de kinderen die wij van oudsher op het Marnix hadden, die ladders, die codes die je had, hoe je je moest gedragen, wat je moest doen, waar je waardering voor kreeg. Dat kwam wel een beetje overeen met hoe je dat thuis deed, en hoe je dat op school deed en hoe je dat met je vrienden deed. Maar voor de kinderen met een migrantenachtergrond was dat voor een deel tegengesteld. Dus die komen op school en die wisten soms niet helemaal hoe je dan eigenlijk op die schoolladder kon klimmen. Wanneer kreeg je nou waardering? Welk gedrag was daar nou eigenlijk bedoeling? Of als ze zich niet prettig voelde schoten naar gedrag wat op straat wel punten verdiende.’

Toen de leraren het verhaal van Illias hadden gehoord vroegen ze gelijk: geef ons instrumenten om dit in de vingers te krijgen. Wat moeten we doen om transformatief les te geven?

El Hadioui: ‘En het punt is dat zodra je dit, en ik ben daar een felle tegenstander van, van te veel methodiseren. Dus van de vijf stappen, naar de vier stappen… Kijk transformatief lesgeven is niet macaroni maken ofzo.’

Het gaat om het ontwikkelen van spelgevoel.

El Hadioui: ‘Dat spelgevoel gaat eigenlijk erover dat je als docent weet, en dat is een beetje een populistische leus in het onderwijsveld; maar weet wat je moet doen, als je niet weet wat je moet doen. Het wordt dan vaak zo naar voren geschoven op die manier. Nou, en onder die leus zit eigenlijk de vraag rondom worteling. Het fundament van een docent, voel jij je zelfverzekerd genoeg, senang genoeg. Het gaat dus eigenlijk ook in het geloof in eigen kunnen van de docent. Om aan te voelen welke opmerkingen je in de klas even laat gaan, en welke opmerkingen je juist zou moeten oppakken om deze inhoudelijk, onderwijskundig, didactisch verder te ontwikkelen. Welke kantelmomenten, tipping points, dus heb jij gevoel voor de sfeer in de klas. Kun je die sfeer behouden, kun je deze neutraliseren indien mogelijk en indien nodig? En kun je deze juist warmer maken en meer aanwakkeren op het moment dat je de meuten in beweging wil krijgen omdat het te veel stilgevallen is. En ben je in staat om stille leerlingen een stem te geven? Ben je in staat om aan te voelen wanneer een leerling het niet snapt, wanneer die geen vraag stelt? Ben je in staat om leerlingen te zien wanneer ze zichzelf niet zien?’

En om dat spel gevoel in de vingers te krijgen zijn de docenten van de Marnix vooral met elkaar aan de slag gegaan. 

De Beer: ‘Er zijn lessen bezocht, dus coaches zijn in de lessen gekomen, die hebben lessituaties nabesproken met de docenten. Docenten zijn bij elkaar gaan kijken in de lessen. Er zijn lessituaties gefilmd van docenten en met zijn allen nabesproken. En dan ging het dus steeds over de spannende momenten in een les. Van een moment dat je ziet dat er iets zou kunnen gebeuren, hoe ga je daar als docent dan mee om?’

En er veranderde iets heel fundamenteels aan de mindset.

El Hadioui: ‘Als in de kleedkamer van zo’n schoolcultuur het gemeenschappelijke idee gaat ontstaan van ja we weten niet zo goed of deze leerlingen wel überhaupt succes kunnen realiseren, we weten niet of het goed komt met hen, we weten niet of wij de juiste tools hebben om dat voor elkaar te krijgen enzovoorts, enzovoort. Binnen zo’n cultuur is de kans groter dat de verwachtingen van leerlingen, vooral de leerlingen met de lage sociaaleconomische status niet optimaal zijn. Dat heeft direct effect op hun studiesucces. Want we weten ook van onderwijspsychologen, het Pygmalion-effect of de self-fulfilling prophecy, als professionals met elkaar geloven dat een leerling toch niet zo’n studiesucces zal realiseren vanwege een bepaald gedrag of wat dan ook, achtergrond. En we gaan daarin in ons gedrag op anticiperen, door zo’n leerling minder vaak de beurt te geven in de klas, door minder positieve aandacht daarvoor te hebben. En anderzijds veel meer te focussen op hoe we zo’n leerlingen kunnen inpassen in het systeem door meer regels te hanteren, meer structuur te geven, en al die zaken meer. Dan is de kans er ook dat die leerling gaat bewaarheden wat de omgeving op hem of haar projecteert.’

De Beer: ‘In het begin was het nog heel erg, ik heb het ook letterlijk gehoord in de personeelskamer, van ja wat moeten die kinderen hier ook, Latijn en Grieks, ach die horen hier niet. Dat zou nu niemand meer, nou dat zou niet eens meer in ze opkomen. Natuurlijk, al die kinderen horen hier, Latijn en Grieks is voor alle kinderen die daarin geïnteresseerd zijn heel mooi. En die kunnen dat ook allemaal. Alleen bij sommige kinderen moet je soms even een stapje anders zetten of een stapje harder zetten. En dat doen we dus ook.’

Het Marnix gymnasium heeft dus echt een omslag weten te maken, het heeft ingezet op de bekendheid en toegankelijkheid van de school. Het zorgt voor een extra zetje voor potentiele leerlingen door extra lessen aan te bieden. En vooral door aandacht en erkenning te hebben voor leerlingen die misschien net dat extra zetje nodig hebben om op de school te kunnen komen. Op school zelf zijn ze zich bewust van dat je leerlingen hebt voor wie de wereld van thuis, de wereld van hun vrienden en de wereld van hun school niet altijd logisch samenvallen. En bovenal is er een mindset verandering gekomen dat alle leerlingen met de juiste talenten het gewoon kunnen halen. Maar dat dat misschien wel wat extra’s vraagt van de leraren en van de school. Leraren zijn dus een belangrijke sleutel tot succes, en daar komt wel een extra element van kansenongelijkheid kijken. Ufuk Kâhya ziet dit bijvoorbeeld in Den Bosch, aan de hand van de al eerdergenoemde dashboard van de Gelijke Kansen Alliantie. 

Kâhya: ‘Een hele andere vraag is dat we ook zien op basis van die dashboards, van waar gaan die docenten naartoe. We hebben een leraren tekort. En een leraar kan heel veel impact hebben op de ontwikkeling van een kind. En ik ben bang dat de scholen waar kinderen, waarvan zo’n leraar de meeste impact heeft op zo’n kind, omdat die impact thuis of in de omgeving minder aanwezig is. Dat daar het lerarentekort het hards gaat toeslaan. Terwijl op die scholen waarbij het kind in een rijke sociaaleconomische omgeving zit, met veel sociaal kapitaal en economisch kapitaal en heel veel mogelijkheden. Waar veel mogelijkheden aanwezig zijn, daar komen de beste leraren. Ook heel belangrijk, ik bedoel elk kind heeft het recht op een fantastische leraar. Maar daar waar juist een leraar het verschil kan maken omdat andere mogelijkheden veel beperkter zijn, daar gaat het lerarentekort vallen. En betekent dat dus ook voor ons als overheid om met het onderwijsveld het gesprek aan te gaan van hoe gaan we zorgen dat we het lerarentekort zo incasseren dat het de kansengelijkheid niet nog meer vergroot, maar eerder verkleind.’

Deze inzet op het onderwijs en op leraren is dus heel belangrijk. Maar er is uiteindelijk meer nodig om, dat hoorde we eerder al, om kansenongelijkheid aan te pakken.

El Hadioui: ‘Dus het gaat inderdaad om die mindset van professionals en die cultuur op school, maar het gaat ook om de ruggensteun die zo’n leerling ervaart van huis uit. Vanuit de peer group omgeving, de vriendengroep. Maar ook in het klaslokaal. En het gaat ook over de intrinsieke, de motivationele drijfveren van een jong kind zelf.’

En om goed op al die borden te kunnen schaken is de gemeente Den Bosch lid geworden van de Gelijke Kansen Alliantie.

Kâhya: ‘De Gelijke Kansen Alliantie zorgt er eigenlijk voor dat er een coalitie ontstaat om met elkaar het goede gesprek te voeren. En het mooie is, daar zitten niet alleen gemeenten en bestuurders aan tafel, maar er zitten ook wetenschappers aan tafel, en er zitten ook mensen uit het onderwijsveld aan tafel. En beleidsmakers zitten aan tafel, zodat je ook met elkaar de analyse goed maakt, over wat is dat nou eigenlijk kansengelijkheid? En hoe heb je daar impact op? Een deel van die impact ligt in de keuzes die wij als overheid maken. En daar moeten we ook ongelijke keuzes maken, om meer gelijkheid te bevorderen. Want dat betekent ook iets voor de Rijksoverheid en voor de beleidsmakers, maar dat betekent ook iets voor scholen en over hoe scholen kijken naar talent, naar kansen en naar de samenwerking in zo’n veld. En via de Gelijke Kansen Alliantie hebben we ook een aantal interventies om gewoon concreet impact te maken op het kind en om te zorgen voor meer gelijke kansen en meer kansen voor kinderen. Een daarvan is dat we samen met de Bossche vakschool, een vmbo-school in onze stad, een project hebben gesteund door de Gelijke Kansen Alliantie om jongeren werk te verbinden met school. En om jongerenwerkers actief te laten zijn in de school. En daarmee verbind je leefwerelden van jongeren en kan je veel beter investeren in het geloof in eigen kunnen, in de motivatie van jongeren om het beste uit zichzelf te halen. Een andere interventie is dat we in het kader van de gelijke kansen aanpak, dus dat we investeren preventief en vroegtijdig in de gezondheid van kinderen. Dat doen we op de basisscholen door samen met de GGD, met jongerenwerkers, met welzijnswerkers en onze leerplichtambtenaren te investeren in het tegengaan van verzuim. Want als je met het goede gesprek en een goede aanpak ervoor zorgt dat kinderen regelmaat inbouwen om naar school te gaan. Dan zullen de verzuimcijfers later in de VO ook terugzakken. En dus de kans op het goed afronden van de middelbare school en het behalen van het diploma, toeneemt. We hebben een pilotschool waarin we zijn begonnen met 34 volggezinnen, waarvan verzuim veel voorkwam. Dat is nu teruggebracht naar 4. En dat is ontzettend hoopgevend in zo’n aanpak. Want we zetten natuurkijk dat verzuim heel erg vaak in op middelbare scholen en wat daar komt kijken. Maar als je dat vroegtijdig doet op zo’n basisschool en het gezin erbij betrekt, dan heb je heel veel impact.’

En wat is dan je rol daarin als gemeente?

Kâhya: ‘Ik denk dat de grootste opgave voor ons als wethouders en bestuurders is om mogelijkmaker te zijn. Hoe kunnen wij in het bestaande wat verkaveld is, waarin we aan allerlei werkafspraken en budgetten vastzitten, toch mogelijkmaker zijn om meer gelijke kansen creëren in de ontwikkeling van het kind. En ik denk dat we dat als bestuurders kunnen doen door andere tafels samen te stellen. Door niet separaat met het onderwijs te praten en met het welzijnswerk en jongerenwerk, omdat we juist tafels creëren rondom alles wat zich beweegt rondom zo’n kind. Dus ook door met educatieve partners te praten. Daar kunst en cultuur daarbij te betrekken, sport daarbij te betrekken, de jongerenwerkers samen met het onderwijs aan tafel om op die manier ook het gesprek met elkaar aan te gaan. En dan ook te kijken, wat is er dan nodig en dan komt daarna wel in welk beleidsveld het valt en uit welk budget het betaald wordt. Dat zijn zaken die daarna wel komen. Maar hoe organiseren we veel intergraler dat gesprek en ook waar doen we dat? Dat vind ik heel erg belangrijk, en dat het goed is om op zo’n schoolpleintje in een jongerencentrum, dat gesprek met elkaar te voeren. En vanuit de werkvloer en wat we daar zien na te denken hoe kunnen wij daarin dan mogelijkmaker zijn.’

Een goed voorbeeld van dat mogelijk maken is het project Zomercampus in Rotterdam. Het project is een initiatief van de Rotterdamse scholen die meedoen aan het programma de Transformatieve School. En richt zich op het tegengaan van een negatieve effecten van Corona op ongelijkheid.

De Beer: ‘Gemiddeld denk ik dat de leerachterstand, daar moet je het denk ik niet eens over hebben. Dat valt denk ik wel mee. Maar de verschillen tussen kinderen die het niet goed kunnen bijbenen en wel goed, die zijn groter geworden door het hele corona gebeuren. En de vraag is, ga je dan straks bijwerken tot het oude niveau? Of gaan we nu iets doen waardoor je echt een kloof gaat overbruggen. We hebben toen een brief geschreven naar de wethouder, namens de community om dit aan te geven. We hebben corona gehad, straks mogen de kinderen weer naar school, hoe gaan we hiermee om? Gaan we gewoon weer terugvallen in het oude? Of gaan we iets doen aan het wegwerken van achterstanden, van oude verschillen, en gaan we misschien ook dan een extra stap zetten? Dat het niet alleen maar het oude herstellen is. Nou, dat is ook heel goed ontvangen. We hebben ook gelijk contact gekregen, ook met het hoofd onderwijs Josine Meurs. En zijn nu betrokken in eerste instantie bij de ontwikkeling van een zomerkampus. Die in de zomervakantie gaat plaatsvinden voor de voorexamenklassen en voor groep 7. En wat ik daar heel leuk aan vind is dat, en ik denk dat dat nog veel vaker zou moeten gebeuren, dat je echt direct scholen betrekt bij de ontwikkelingen die je doet, bij je beleid. Dus wat er natuurlijk in het verleden vaak gebeurde is dat gemeente werken natuurlijk samen met besturen. En dat is prima, maar als het gaat om echt de interventies die je wil doen, dan denk ik, wat ik nu merk met die zomerscholen, dan is het heel waardevol dat je direct met schoollocaties in gesprek gaat. Want die weten wat nodig is. Wat je wel moet doen en wat je niet moet doen. En die samenwerking, daar hoop ik heel erg op dat dat nu nog veel meer gaat gebeuren dus.’

Wat Yolande de Beer betreft is het helder wat de gemeente moeten doen. Ze moeten middelen beschikbaar stellen, rechtstreeks schakelen met scholen.

De Beer: ‘En betrek ook vooral de wetenschap erbij. Dus doe geen dingen die leuk lijken maar die niet onderbouwd zijn. We hebben een hele mooie vakgroep onderwijskunde aan de Erasmus Universiteit en pedagogiek en die hebben heel veel interventies al onderzocht, wat wel en wat niet werkt. En ik denk dat het verstandig is om bij dingen die je denkt ook de wetenschap te betrekken.’

El Hadioui: ‘Onderwijswetenschap moet de hand schudden van de onderwijspraktijk. Het moet een samenwerking zijn. Dus de onderwijspraktijk moet onderwijswetenschappers op tijd dwingen om concreet te worden. De onderwijswetenschappers moeten de onderwijspraktijk op tijd dwingen om even het vanuit een metaperspectief te bekijken.’

Kâhya: ‘Ik vind het onrechtvaardig als een kind en een jongeren met potentie en mogelijkheden, zich niet gewaardeerd voelt en daar niet in gelooft. Ze kunnen zo veel bieden voor zichzelf en de samenleving. En we hebben met elkaar ook denk ik de plicht om dat mogelijk te maken. En als je dan ziet als jongeren die kans krijgen en die mogelijkheden krijgen en hoe ze dan als een speer gaan, dan moeten we daarop inzetten.’

We hebben het gehad over kansenongelijkheid in het onderwijs. Het is iets dat kinderen raakt uit multiculturele gezinnen, of gezinnen met een lage sociaaleconomische status. Het wordt veroorzaakt door een laag verwachtingspatroon en minder sterke steunstructuur en een lager zelfvertrouwen. Door bewustwording, door te investeren in leerlingen, leerlingen vertrouwen te geven en door spelgevoel te ontwikkelen kunnen de scholen de kansen meer gelijktrekken. Essentieel zijn goede leraren en dat die zitten op plekken waar zij de meeste impact kunnen maken. Daarnaast is het nodig om ook in de steunstructuur te investeren, bijvoorbeeld met jeugd en jongeren werk, door te investeren in ouderparticipatie of in gezondheid. De gemeente speelt daarbij een essentiële rol als mogelijkmaker te midden van alle partijen die rondom kinderen actief zijn.

Wil je meer weten over de Transformatieve School, talent klassen of de andere projecten die in deze podcast besproken zijn? Kijk dan op de website van het Programma Sociaal Domein. Daar vind je ook een link naar de vele andere projecten die onder de vlag van de Gelijke Kansen Alliantie worden uitgevoerd. Heb je zelf mooie voorbeelden of ideeën, laat het ons weten. We zijn benieuwd naar je verhaal. Voor nu, dank voor het luisteren.