Podcast #9 UPP

Hoe kunnen we gegevens uitwisselen in het sociaal domein en tegelijk de privacy van mensen waarborgen? In deze podcast gaan Leon Sonnenschein, projectleider van het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP) en Febe Otten, procesadviseur en projectleider van de gemeente Zaanstad, in op de vraag wat er nodig is om gegevensuitwisseling op de werkvloer goed te laten verlopen. En waarom is het Wetsvoorstel Aanpak meervoudige problematiek sociaal domein (Wams) in het leven geroepen?

Podcast #9 UPP

Privacy en het sociaal domein. Iedereen weet dat het een belangrijk thema is. Veel mensen die werken in het sociaal domein merken hoe sterk het aanwezig is in de dagelijkse werkpraktijk. Maar je kunt nou niet zeggen dat het een van de meest geliefde onderwerpen is. In deze podcast gaan we in op dit hot issue. We horen Léon Sonnenschein, projectleider van het traject Uitwisseling Persoonsgegevens en Privacy van het Programma Sociaal Domein. Dit traject staat ook wel bekend als UPP. En we horen Febe Otten, procesadviseur en projectleider bij de gemeente Zaanstad, onder andere op het terrein gegevensuitwisseling. Zij vertellen over de uitkomsten van het traject UPP, over wat er nodig is om gegevensuitwisseling op de werkvloer op de juiste manier te laten verlopen. En het gaat over het conceptwetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein, de Wams. Dit wetsvoorstel is op 19 maart in consultatie gegaan. Zoals je kunt horen hebben we Léon nog live kunnen spreken, maar Febe alleen telefonisch, vanwege het Coronavirus.

Maar allereerst, wat maakt privacy in het sociaal domein nou zo’n complex thema?

Sonnenschein: ‘Privacy is altijd een hot issue bij dienstverlening in het sociaal domein en het zorg- en veiligheidsdomein. Mensen vinden het lastig, omdat er zo veel regels zijn. Het lastige aan regelgeving rondom privacy is dat heel veel regels in allerlei wetten verstopt zitten. En veel van die wetten zijn langs de kokers georganiseerd. En er is weinig aandacht in de wetgeving over de verbinding tussen die kokers. Dat maakt het lastig voor professionals om te kunnen weten welke gegevens, in welke situatie we wel en niet mogen verwerken en uitwisselen.’

Otten: ‘Waar wij als ambtenaren, als gemeente zeg maar, wel eens tegen aanlopen is dat je privacy een beetje droog benadert. Zeg maar, als een juridisch vraagstuk. Alleen dat is het voor de mensen in de uitvoering helemaal niet. Zij krijgen gewoon te maken met verhalen. En in de wet staan altijd mooie regeltjes over dat je moet afwegen of iets proportioneel is en noodzakelijk, al dat soort dingen. Maar de professionals in de wijkteams die denken gewoon; ja, ik moet mijn cliënt helpen.’

Sonnenschein: ‘Nou je ziet dat in praktijk dan heel veel discussie op de werkvloer plaatsvindt over welke gegevens nou wanneer verwerkt mogen worden en waarvoor gebruikt mogen worden. Dus het levert vooral heel veel gedoe op, op de werkvloer.’

Moet er dan niet gewoon betere privacywetgeving komen?

Sonnenschein: ‘Ja, je kunt met wetgeving nu eenmaal niet helemaal, wil je ook niet voorschrijven hoe de uitvoering dingen moet gaan doen. Maar als organisaties dingen op een bepaalde manier organiseren, moeten ze bij het inrichten daarvan ook heel goed nadenken over; en wat betekent dat nou voor de gegevensverwerking? Wat betekent dat voor de mensen die het werk doen, met betrekking tot de gegevens die ze kunnen verwerken en mogen verwerken? En mijn stelling is altijd; gegevenswerk en privacy is voor tachtig procent, wel vijfentachtig procent, een organisatievraagstuk.’

Tachtig tot vijfentachtig procent is een organisatievraagstuk, zegt Léon. En de rest is wetgeving en zorgvuldig handelen van de professional. Laten we dan eerst in gaan op wat nu niet goed gaat met privacy en gegevensverwerking binnen organisaties, en hoe dit beter kan worden ingericht. Hoe gaat Zaanstad hier bijvoorbeeld mee om?

Otten: ‘Toen decentralisaties net een feit waren, toen waren wij heel terughoudend eigenlijk met het meegeven van instructies. Omdat wij ons daar ook wel van bewust waren dat wij als gemeente een stuk verder van de praktijk stonden dan de hulpverleners. En dus hebben we toen vooral een paar richtlijnen meegegeven waar eigenlijk hele simpele zinnen als; maak een afweging over wat wel of niet noodzakelijk is, kijk of je gegevens echt nodig hebt om iemand te kunnen helpen, wees transparant over hoe je je werk doet. Dus als je gaat bellen met de school van een kind ofzo, laat dat die ouders ook even weten.’

In een onderzoek in 2018 gaf de autoriteit persoonsgegevens echter aan dat deze instructies te vaag waren. Zaanstad werkt met de Zelfredzaamheid-Matrix, en daar zei de autoriteit het volgende over.

Sonnenschein: ‘Nou wij vinden dat het niet kan dat je standaard, als iemand met een eenvoudige vraag komt, dat je dan standaard de Zelfredzaamheid-Matrix maar gaat af akkeren. Want er zijn een hele hoop hulpvragen, daarbij is dat gewoon niet nodig. Iemand die met een aanvraag komt voor een scootmobiel hoef je niet meteen te vragen of hij een psychiatrisch probleem heeft of iets anders. Dus dat is niet aan de orde. Er moet een duidelijke link zijn tussen de vragen die je stelt en de informatie die je vraagt en het probleem of de hulpvraag van de burger. Ten tweede dat ze zeiden, ze hadden een aantal dossiers gelicht waarin ze zeiden; ja, we zien dat hier heel veel informatie in de dossiers staat die helemaal niet relevant is voor de hulpvraag. En ook verder niet meer gebruikt wordt in het beoordelen van de hulpvraag. Dus ze zeiden; op het moment dat je vragen stelt aan een burger. Het is logisch dat je een soort gesprek hebt om te verkennen wat is hier aan de hand, waar kun je mee helpen. Nou, we weten dat er misschien schulden zijn en dan weten we dat er sommige andere problemen vaak mee samenhangen. Prima als je dat verkent, maar als je tot de conclusie komt dat uiteindelijk een deel van die informatie niet nodig is, niet noodzakelijk is, dan moet je dat ook niet opschrijven.’

Otten: ‘Dus zijn we nu wat uitgebreider in de instructies die we geven. Maar we merken ook wel dat dat nog steeds heel lastig is. Want het onderzoek van de autoriteit persoonsgegevens was natuurlijk vooral gericht op of wij voldoen aan de wet. En waar dat natuurlijk wel belangrijk is dat je voldoet aan de wet, heb je nog gewoon de praktijk waarin mensen nou eenmaal hun verhaal doen en aangeven dat zij bepaalde dingen wel of niet in hun dossier opgenomen willen hebben. En, ja daar zit altijd wel een dilemma denk ik, zeker voor de mensen in de uitvoering.’

Sonnenschein: ‘Die maatvoering die is heel erg belangrijk. En professionals kunnen dat heel goed, maar je moet ze wel op dat punt zetten.’

Er moet dus een duidelijke link zijn tussen de informatie die je vraagt, de informatie die je registreert, de informatie die je deelt en de taak die je uitvoert. Als je die duidelijkheid hebt verdwijnt niet alle dilemma’s als sneeuw voor de zon, maar je dilemma’s worden er wel een stuk scherper door. Om gemeenten hierbij te helpen is vanuit traject UPP door ministeries en gemeenten een stappenplan opgeleverd. En als er dus een duidelijke link moet zijn welke gegevens je registreert of deelt en de taak die je uitvoert, dan is stap één natuurlijk; met welke taak ben ik nou bezig als professional?

Sonnenschein: ‘Nou, je ziet heel vaak op dit moment in het sociaal domein heel veel gemeenten die taken uitbesteden aan wijkteams. En vaak zie je dat die wijkteams vaak twee verschillende soorten taken doen. Enerzijds, doen ze toeleidingstaken naar voorzieningen, dus bepalen welke voorzieningen een burger nodig heeft. En er is een taak die typisch valt onder de verantwoordelijkheid van het college van burgemeester en wethouders. Daarnaast zie je dat heel vaak in die wijkteams ook een stuk hulpverlening wordt gedaan.’

Otten: ‘En daar lopen veel mensen bij ons in de jeugddienst wel tegenaan. Dat ze zeiden van goh ik ben altijd jeugdhulpverlener, maar ik werk ook in de gemeentelijke toegang. En in de gemeentelijke toegang heb je te maken met dingen zoals rechtmatigheid, met als je fraude constateert dan moet je daar wat mee. Terwijl als jeugdhulpverlener heb je de instructie dat je dat echt niet mag. Dat de vertrouwelijkheid tussen jou en de cliënt voorop staat. Dus dat zorgt soms wel eens voor dilemma’s voor jeugdhulpverleners die weet ik veel, een wietplantage op zolder tegenkomen. Hoe ga je daar dan mee om? En vaak kan je dan vanuit de veiligheid kan je daar dan nog wel een melding van doen, maar dat is toch steeds een dilemma voor mensen.’

En daarom is stap één van het stappenplan:

Sonnenschein: ‘Begin nou met de vraag; met welke taak ben ik hier bezig? Ben ik hier bezig met een wettelijke taak voor het college om toe te leiden naar hulpverlening? Ben ik bezig met een hulpverleners taak? Andere partijen kunnen weer bezig zijn met het uitvoeren van een jeugdbeschermingsmaatregel, dat zijn allemaal verschillende dingen. Maar je moet je bewust zijn van die taak. De tweede stap, dat is ook heel erg nodig om het in te richten en is; en welke activiteiten verricht ik nu in het kader van die taak? Wat zijn nou die stappen in het werkproces die horen bij die taakuitvoering? Bij het toeleiden naar hulpverlening zet je een aantal stappen. Je gaat verkennen wat is de hulpvraag? Je gaat kijken wat zijn de mogelijkheden om daar wat aan te doen? Dan kunnen we misschien deze en deze hulp verlenen. Wat zijn de criteria? Dus daar zitten allerlei stappen in die heel helder zijn, en daaruit volgt ook eigenlijk heel helder welke gegevens je steeds nodig hebt om te verwerken. Als je met hulpverlening bezig bent, is dat weer een heel ander type proces. Want dan ben je veel meer bezig met iemand te helpen, een open gesprek te voeren over dingen die er aan de hand zijn. En met iemand te zoeken naar dingen die hijzelf kan doen, of in samenwerking met zijn omgeving om tot een oplossing te komen is een heel ander type proces. Waarbij je dus ook hele andere gegevens en vaak veel diepe gegevens verwerkt. Het nadenken over wat hoort nou waar, is een hele belangrijke om te kunnen nadenken over de gegevens die je verwerkt.’

Om vervolgens bij stap drie aan te komen, wat zijn dan de noodzakelijke gegevens per doel?

Sonnenschein: ‘Nou, heel vaak zie je dat dat doel een beetje op een heel abstract hoog niveau wordt benoemd. ‘Wij werken aan dat het beter gaat met jongeren of met een samenhangende wijk.’ Maar dat doel, als je echt wil nadenken over de noodzaak van gegevens, dan moet je dat doel veel specifieker koppelen aan de stap waar je mee bezig bent in het proces. Als ik nog een beetje aan het verkennen ben met iemand van goh wat voor hulpvraag heb je eigenlijk, dan is dat iets heel anders dan als je denkt van nou, deze persoon die heeft schuldenproblematiek en dus ga ik al een aantal stappen dieper om te kijken hoe groot zijn die schulden? Maar ook, wat zijn de achterliggende oorzaken van die schulden? Op het moment dat je aan het toetsen bent of iemand in aanmerking komt voor een voorziening, ja dan hoef je vooral maar gegevens te werven om te toetsen op een aantal criteria. Zo zie je dat eigenlijk per stap veel meer je moet kijken welke gegevens noodzakelijk zijn. En dan valt mij altijd op als je dat gesprek voert met professionals, dat als je dat maar even zo meer behapbaar maakt voor hun, met de vraag van goh maar als je nou hier mee bezig bent, wat zijn dan de gegevens die je nodig hebt. Dat ze dat dan eigenlijk steeds heel goed kunnen benoemen. En het interessante is dat je dan a, ziet dat je opeens het idee van we hebben heel veel gegevens nodig, dat wordt heel snel wat kleiner tot naar, ja maar op dit moment heb ik eigenlijk maar deze en deze gegevens nodig. Misschien heb ik later wel meer gegevens nodig, maar nu heb ik alleen maar een beperkte hoeveelheid gegevens nodig. En daarmee maak je natuurlijk de vraag of het mag of niet mag maak je daarmee ook een stuk kleiner.’

Otten: ‘Ja, bijvoorbeeld als een school een kind aanmeldt. De school wil dan een terugkoppeling van hoe het staat met die casus, alleen de jeugdhulpprofessionals denken niet altijd dat een school dat allemaal hoeft te weten. Dus daar zijn wel eens gesprekken over. Dat we gaan kijken hoe kunnen we er nou voor zorgen dat ze op school wel het idee krijgen van deze leerling wordt geholpen, zonder dat ze alle ins en outs van een casus weten.’

Ook Léon noemt een voorbeeld waarin de gemeente graag inzage wilde in een behandelplan van een jeugdhulpverlener.

Sonnenschein: ‘Nou, dat behandelplan is iets wat juist heel erg valt onder het beroepsgeheim van een jeugdhulpverlener. Die wil best wel informatie verstekken, maar niet een heel behandelplan, dat is veel te gevoelige informatie. Toen gingen we met die mensen van de gemeente en die jeugdhulpverlener gingen we het hebben over, wat is nou eigenlijk de beslissing waar je voor staat? En toen zei die man van de gemeente; ja, ik moet beoordelen of het onder de lichtere vormen van hulpverlening valt of onder de zwaardere vorm van hulpverlenen. En toen vroegen we van; maar wat zijn nou die criteria die daarvoor maatgevend zijn? En toen zei hij; maatgevend is, of iemand met een bepaalde specialisatie wordt ingezet of niet. Toen zeiden wij van; oh, dus je hoeft niet het hele behandelplan te weten, je wil weten of iemand met een bepaalde specialisatie wordt ingezet of niet. Ja, dat is wat ik wil weten. Toen zei die jeugdhulpverlener; ja, dat kan ik je wel vertellen. Je ziet ook doordat vaak de onhandige vragen gesteld worden en eigenlijk niet goed stilgestaan wordt bij; van wat moet ik nou eigenlijk weten? Wat is de afweging waar ik voor sta? Dat daar vaak ook heel veel discussie ontstaat, omdat mensen de nijging krijgen om veel meer gegevens op te vragen dan noodzakelijk.’

Stap één is dus je afvragen met welke wettelijk taak of welke werkzaamheden ben ik bezig? Stap twee, welke activiteiten en doelen komen voort uit deze taak? En stap drie, wat zijn dan de noodzakelijke gegevens per doel? Om tot slot uit te komen bij stap vier, wat is de juridische onderbouwing voor gegevensuitwisseling?

Sonnenschein: ‘Nou eigenlijk zeg je, als je dan die taak hebt en die activiteit en de noodzaak per stap een beetje, als je dat soort vragen steeds stelt. Ja dan kun je vaak ook wel beoordelen van, nou kan het nu wel of niet? Want op het moment dat je een wettelijke taak hebt, dan mag je in de regel de gegevens verwerken die noodzakelijk zijn. Maar als jij niet kunt benoemen op grond van welke taak je die gegevens wilt verwerken, ja dan heb je een probleem. En als je niet kunt benoemen waarom de gegevens noodzakelijk zijn, ja dan is dat een probleem. Ik spreek heel veel privacy offices van allerlei organisaties, en dan zeggen ze; ja, en dan komen de mensen altijd bij mij met de vraag van mag het of mag het niet? En dan is eigenlijk altijd het antwoord wat een privacy office geeft is; ik zou het niet weten, want geef mij eerst meer informatie. Van, waar ben je mee bezig? Welke taak voer je uit? Wat ben je aan het doen? Waarom heb je op dat moment die gegevens nodig? Kun je dat goed onderbouwen? En dan kom je meestal wel een heel eind. In de regel moet de organisaties aan professionals duidelijk maken, kijk je bent bezig met deze wettelijke taak en daarom mag je gegevens verwerken. Maar welke gegevens in dit specifieke geval noodzakelijk zijn, dat is jouw professionele afweging. Maar je moet het wel kunnen onderbouwen, en daar moet je dan goed over nadenken dat je niet meer gegevens steeds vraagt of verwerkt dan nodig.’

Die heldere koppeling dus tussen taak, doel en uiteindelijk benodigde gegevens maakt volgens Léon dus ongeveer tachtig tot vijfentachtig procent van de privacyvraagstukken uit.

Sonnenschein: ‘Maar dat blijft wel altijd iets knagen en dat heeft te maken met een onvolkomenheid die zit in de regelgeving rondom gegevensverwerking en privacy. De opzet van de decentralisatie was destijds de slogan; één gezin, één plan, één regisseur. Wat impliceert dat als een burger meerdere problemen heeft of er in een gezin meerdere problemen spelen, dat je dan tot een samenhangend plan kunt komen om die vraagstukken in samenhang op te lossen. Nou de autoriteit persoonsgegevens heeft steeds betoogd dat de wetgever dat beter in wettelijke taak had moeten regelen. Zodat er een goede grondslag is voor de gegevensverwerking die nodig is om tot zo’n integrale aanpak te komen. Daar kun je over discussiëren. Het kabinet heeft destijds in een kabinetsvisie aangegeven dat zij van mening is dat die grondslag er wel is. Maar op het moment dat wetgever en toezichthouder daarover blijven discussiëren, is het voor het veld wel belangrijk dat daar een keer duidelijkheid over komt. Daarom wordt er ook gewerkt aan een wetsvoorstel om meer duidelijkheid te geven over de gegevensverwerking rondom die integrale aanpak.’

Het belangrijkste probleem met de wetgeving was eigenlijk de verkokering van die wetten. Febe en Léon vertellen over de belangrijkste inzichten die de werkgroep had van UPP, die zich richtte op de wetgeving.

Sonnenschein: ‘Iedereen heeft het over de AVG, dat weten we inmiddels wel dat die bestaat. Maar de AVG maken is niet zo zeer het probleem, de ingewikkeldheid van regelgeving over gegevensverwerking zit hem in de afzonderlijke materiewetten waar heel veel regels in zitten. En die materiewetten zitten in een koker, en zijn ook gericht op een heel specifiek vraagstuk vaak of op een specifieke doelgroep of een bepaald domein. En er is in die materiewetten, is er eigenlijk zelden of nooit aandacht voor hoe je nou de verbinding kan leggen tussen die domeinen.’

Otten: ‘In de Wmo daar stond een artikel, best wel mooi beschreven dat je als een inwoner een aanvraag doet in het kader van de Wmo, dat je dan als lokale toegang, als gemeente, een onderzoek doet naar de omstandigheden van die persoon. Er stond een heel lijstje met omstandigheden, bijvoorbeeld werk, persoonlijke situatie en in de Wmo werden ook een aantal dingen benoemd die niet per se aan de Wmo gerelateerd waren. Maar meer aan het leven van iemand in zijn totaliteit. Alleen we misten eigenlijk zo’n zelfde soort artikel als iemand een aanvraag zou doen in het kader van de participatiewet, in het kader van de jeugdwet. Want eigenlijk wil je gewoon, het maakt niet uit hoe iemand binnenkomt met wat voor soort vraagstuk, je wil altijd even kijken naar de omstandigheden van die persoon. Zoals dat in gemeente termen heet: de vraag achter de vraag te ontdekken.’

Sonnenschein: ‘Het tweede punt wat je ziet is dat de regelgeving over gegevensverwerking heel erg is geschreven op het uitwisselen van gegevens tussen twee partijen. Dus ik geef gegevens aan jou, A geeft gegevens aan B met een specifiek doel. En we hebben getoetst of die gegevens ook noodzakelijk zijn. En dan kan ik jou die gegevens geven als daar voldoende wetgeving over is. Maar zeker bij die complexe problematiek zit je vaak met meerdere partijen die iets met elkaar moeten. En er is eigenlijk geen goed juridisch kader voor die situatie waarin je een soort van multidisciplinaire setting, eigenlijk in een keer gegevens deelt met meerdere partijen.’

En daarom is dus recent het conceptwetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein in consultatie gegaan. Dit conceptwetsvoorstel is door gemeente en ministerie samen ontwikkeld en gaat redenerend vanuit de werkpraktijk, voor een aantal zaken een juridische onderbouwing bieden.

Sonnenschein: ‘De eerste situatie is, er komt een man of vrouw bij de balie en dan? Wat moet er dan kunnen om a, te kunnen verkennen of er sprake is van meervoudige problematiek om dan eventueel tot een integrale aanpak te kunnen komen. En ook om dan die aanpak in de uitvoering te kunnen coördineren. Waar nu het ingewikkelde zit is dat er gezegd wordt er is geen goede juridische basis om te kunnen verkennen of er sprake is van multiproblematiek. En dat is eigenlijk wat er nou gaat gebeuren. En wat je nou ziet, wat zijn nou eigenlijk logischerwijs de stappen die je dan moet kunnen zetten? Als er een burger meldt met een vraag dan moet je kunnen verkennen, goh is er hier meer aan de hand? Dus één ding wat er mogelijk gemaakt moet worden met die wet is dat het college kan verkennen of er sprake is van multiproblematiek en welke partijen dan nodig zijn om tot een goede aanpak te komen.’

Het eerste wat de wet expliciteert is dat het college zo’n verkenning kan doen als een burger zich meldt.

Sonnenschein: ‘Nou dat is mooi als je die verkenning hebt gedaan, of dat onderzoek hebt gedaan, dan weet je wat er aan de hand is. En dan is het natuurlijk ook de bedoeling dat je dingen gaat doen. Dus op basis van dat onderzoek kun je een werkplan samenstellen. Dan zeg je, oké goed als dit het probleem is dan maak je afspraken, dan ga jij dit doen en de zorgverlening gaat dit doen. Als college verstrekken we deze voorzieningen. En dat doe je in samenspraak met de burger natuurlijk. De burger kan alleen hulp krijgen als die dat zelf ook wil in dit soort situaties. Maar dan kun je een werkplan opstellen. En dan moet je oppassen dat er niet het ene plan over het andere heen buitelt. Want vaak zitten er in heel veel deeltrajecten ook allerlei werkplannen. De jeugdwet kent een gezinsplan en dergelijke. Ik denk dat in de wet zoals hij eruit komt te zien, het werkplan veel meer bedoeld wordt als een manier om de afspraken en de verschillende trajecten die al lopen, om die te kunnen coördineren. Dat is geen zwaar plan in de zin van dat dat alle andere plannen overbodig maakt. Het is ook niet dat het andere plannen overruled, maar het moet vooral gezien worden als een werkplan dat in staat stelt om de verschillende trajecten die al lopen, om die goed met elkaar te kunnen afstemmen. Het derde is natuurlijk, het werkplan is natuurlijk één ding, maar als je nou met zijn allen tot zo’n integrale aanpak gekomen bent, is het ook wel handig als je tijdens de uitvoering die afstemming vasthoudt en die coördinatie kunt voeren. Met elkaar regelmatig kijkt of het plan doet wat het moet doen, of er misschien ergens een bijstelling nodig is. Misschien een traject heeft zijn werk gedaan, dan hoeft die partij daar ook niet meer verder bij betrokken te zijn. Dus die coördinatie, dus eigenlijk de derde stap die gereld zou worden in het wetsvoorstel.’

Het conceptwetsvoorstel verankert dus dat het college verkenning mag doen, een werkplan mag opstellen en vervolgens daar coördinatie op mag zetten. Dat klinkt niet als hele baanbrekende nieuwe dingen.

Sonnenschein: ‘Nou, het gaat er eigenlijk niet zo zeer om dat dit wetsvoorstel nou hele nieuwe dingen regelt of nieuwe dingen mogelijk maakt. Het gaat veel meer om het expliciteren van de taken die eigenlijk beleidsmatig al bij, met name het college van B&W, liggen. Eigenlijk is dat ingezet door de kritiek van de autoriteit persoonsgegevens die steeds heeft gezegd; wij vinden dat de wetgever een beter juridisch kader had moeten regelen voor het verwerken van de gegevens ten behoeve van de integrale aanpak bij meervoudig- of multiproblematiek.’

Ook voor twee andere situaties regelt deze wet een juridische basis. De aanpak is hierbij vergelijkbaar.

Sonnenschein: ‘De tweede situatie waarnaar gekeken wordt is, je ziet vaak bij multiproblemen zeker bij de complexe casussen dat eigenlijk al heel veel gebeurt rond om een gezin. Maar dat de samenwerking tussen de betrokken partijen niet goed van de grond komt. Of dat een hulpverlener wel zien, ja ik kan nu wel in mijn eentje blijven ploeteren, maar de problematiek is veel zwaarder. Dus we moeten met meerdere partijen aan de slag. En dan zie je dat er nergens in de wetgeving een goed haakje is voor een partij om die samenwerking te organiseren. Dus het tweede onderdeel wat in die wet geregeld wordt is dat professionals die dat signaleren, van hé hier is een gezin met zware problematiek en we zien dat de samenwerking niet goed van de grond komt. Dat ze dan een beroep kunnen doen op, in dit geval zou dat wel het college van B&W worden, om die samenwerking te gaan organiseren. In zekere zin zet je dan eenzelfde soort stappen als in de situatie dat een burger zichzelf meldt. In de zin dat het college verkent wat er dan aan de hand is, welke partijen eventueel betrokken zouden moeten worden, die het plan kan opstellen samen met die partijen en tot coördinatie kan komen.

Alleen, het is wel zo dat je kunt zeggen, het is toch wel wat anders of een burger zichzelf meldt en zegt ik heb hulp nodig, help mij. Of dat een instantie eigenlijk zegt, ik zie dat het niet goed gaat met die persoon dus ik ga hem melden om tot een integrale aanpak te komen. Natuurlijk mag je ervanuit gaan, van dat die instantie, dat eerst probeert met die burger zelf te overtuigen dat het nuttig is om die stap te zetten. Maar je ziet ook dat in sommige gevallen, zeker als er vaak sprake is van ernstig overlastgevend gedrag of van bepaalde problematiek, zie je ook vaak dat dit vaker voorkomt bij mensen die zorg mijdend zijn. Maar dan moet je wel extra criteria stellen, voor die bevoegdheid ingeroepen kan worden.

En het derde wat er geregeld wordt is, nou er zijn al vrij lang meldpunten in Nederland. Meldpunten voor personen met verward gedrag, mensen die kampen met psychische problematiek. En dan kunnen buren bijvoorbeeld, die zien van hé het gaat volgens mij niet goed er is iemand die heeft hulp nodig, die kunnen dan een melding doen bij zo’n meldpunt. Daarvan zien we dat daar eigenlijk ook wel betere juridische basis nodig is om dat te regelen. En dat wordt in het wetsvoorstel geregeld.’

Otten: ‘Dus zodra die wetgeving er is, denk ik inderdaad dat het een stuk makkelijker wordt om gegevens uit te wisselen. Niet per se dat je dan niet meer kritisch moet zijn of het wel nodig is, en of het proportioneel of noodzakelijk is. Maar wel dat het mogelijk is om in één plan zowel de problemen van een kind te benoemen als die van een ouder. Of dat je echt een gezinsplan kunt maken op verschillende terreinen.’

We hebben het in deze aflevering gehad over privacy en gegevensuitwisseling. Een lastig onderwerp dat voor veel onduidelijkheid op de werkvloer kan zorgen. Om een goede afweging te kunnen maken over gegevensuitwisseling, is het vooral belangrijk om steeds scherp te zijn op met welke wettelijke taken en werkzaamheden de professional bezig is. De bijbehorende activiteiten en doelen, en vervolgens de daarvoor noodzakelijke gegevens. Pas als dat inzichtelijk is volgt de juridische vraag naar de onderbouwing wat nu wel en niet mag. Daarom zei Léon dat uitwisseling van persoonsgegevens voor tachtig of vijfentachtig procent een organisatievraagstuk is. Daarnaast is er nu wel het conceptwetsvoorstel aanpak meervoudige problematiek sociaal domein, om meer duidelijkheid te geven over gegevensverwerking rond integrale aanpak. Het conceptwetsvoorstel kun je vinden op www.internetconsultatie.nl/meervoudigeproblematiek. Je kunt ook kijken op de website van het Programma Sociaal Domein, daar vind je ook meer informatie over het stappenplan waarover Léon vertelde. Heb je zelf ideeën voor deze podcast reeks? Een verhaal dat je wil delen of een tip voor ons? Laat het ons vooral weten. We horen het graag. Voor nu, dank voor het luisteren/ lezen!