Podcast #8 Utrechtse wijkteams

De stad Utrecht richt sinds een paar jaar haar sociaal domein op een andere manier in dan de meeste andere steden. De buurtteams en specialistische hulp in de Utrechtse wijken is op een speciale manier vormgegeven. Hoe? En wat zijn de sleutels in deze manier van werken? Dat vertellen Maarten van Ooijen, wethouder maatschappelijke ondersteuning en welzijn in Utrecht, Toke Tom, themadirecteur Sociaal Domein, Peter de Visser, bestuurder buurtteamorganisatie Sociaal, en Suzanne Verdoold, kwartiermaker bij specialistische jeugdhulp Extr@Utrecht in deze podcast.

Podcast #8 Utrechtse wijkteams

Je luistert naar Zaaigoed onderdeel van het Programma Sociaal Domein, inspiratie voor en door Rijk en gemeenten.

In deze podcast gaan we in op hoe de gemeente Utrecht het sociaal domein heeft ingericht. De stad maakt enkele fundamentele keuzes die maken dat hun manier van werken in de rest van het land veel aandacht krijgt. Daarom duiken we in deze podcast in hoe Utrecht de buurtteams en aanvullende specialistische hulp heeft vormgegeven. Wat zijn sleutels in hun manier van werken? Welke lessen kunnen we daaruit trekken? En hoe is Utrecht zelf bezig om hun werkwijze door te ontwikkelen?

In deze podcast horen we Maarten van Ooijen, wethouder maatschappelijke ondersteuning en welzijn, Toke Tom, themadirecteur Sociaal Domein, Peter de Visser, bestuurder van de buurtteamorganisatie Sociaal en Suzanne Verdoold, kwartiermaker van de pilot buurtgerichte specialistische jeugdhulp.

Allereerst, hoe ziet de inrichting van het sociaal domein Utrecht er op hoofdlijnen uit? Nou, op het eerste gezicht is het niet heel anders dan hoe de meeste gemeenten in Nederland het inrichten, legt Maarten van Ooijen de wethouder uit.

Van Ooijen: ‘Het model bestaat dus eigenlijk uit drie, ja hoe zou ik het eigenlijk zeggen, drie verschillende onderdelen. Het eerste onderdeel is dus de basis, nou inderdaad de buurtcentra maar ook de sociale netwerken. Denk aan alle eetgroepen, denk aan wat er in de hele informele zorgnetwerken gebeurt. Dat is echt de sociale basis. Dan heb je deel twee waar dus de buurtteams de speel in spelen. Voor de eerste hulpvragen ben je eigenlijk altijd bij het buurtteam aan de slag. En dus het derde onderdeel is de aanvullende zorg. Ik denk overigens dat deze drie onderdelen, dat die eigenlijk grofweg in alle gemeenten op deze manier gemaakt worden. Dus daar zit eigenlijk helemaal niet het punt hé. Het Utrechtse model onderscheidt zich niet door deze drie onderdelen. Het onderscheidt zich wel in de manier waarop we daarmee aan de slag zijn gegaan.’

Drie lagen dus, de sociale basis infrastructuur als eerste, vervolgens de buurtteams en dan waar nodig specialistische zorg. Dat is inderdaad niet zo onderscheidend, maar de sleutel zit in de manier waarop Utrecht de buurtteams neerzet. En vooral eigenlijk de buurtteamprofessionals.

Tom: ‘Belangrijk is dat zij generalist zijn, vergelijkbaar met de huisarts, die zelf hulpverleent en doorverwijst.’

Themadirecteur van Sociaal Domein, Toke Tom en Peter de Visser, bestuurder van de buurtteamorganisatie Sociaal, leggen uit wat de verschillen zijn.

Tom: ‘Eigenlijk was zo ongeveer zo’n tachtig procent van de AWBZ begeleiding. Wat veel al wordt gezien als specialistische zorg, wordt bij ons door het buurtteam gegeven. Dus de specialistische zorg is direct vanaf 2015, was al veel kleiner dan in veel andere gemeentes. En ze zijn daarbij niet een heel duur indicatieorgaan geworden, want ze kunnen gewoon echt heel veel zelf en een goede inschatting maken voor wat er eventueel extra nodig is. En dat gebeurt dan ook in overleg.’

De Visser: ‘De toegangsfunctie an sich verdwijnt en wordt geïntegreerd in de zorg. Dus dat betekent dat ik als Utrechter niet eerst langs een soort bastion van toegangsgevers moet. En mijn verhaal moet vertellen en vervolgens mijn verhaal nog een keer moet vertellen bij degene die mij daadwerkelijk gaat ondersteunen. En twee, individuele begeleiding laat zich moeilijk vangen in een arrangement. Want het kenmerk van mensen die individuele begeleiding krijgen, is dat het niet heel stabiel is. Dus dat betekent dat de ondersteuning die je daaraan zou moeten geven, dat dat per week, per maand, kan verschillen. En soms is dat heel lang en soms is dat heel kort. Soms is het heel kort, dan weer even niet, dan weer wel. En juist dat type zorg verhoudt zich dus slecht tegen het model van één keer toegang. En daarna heb je een boterbriefje, en krijg je eigenlijk altijd ondersteuning. Niemand registreert iets, het enige wat we registreren is een ondersteuningsplan. En dat doen we samen met die klant en daar staan doelen in. En het doel van dat ondersteuningsplan is om structuur te geven aan de ondersteuning, om houvast te geven aan de klant en ook om onze professionaliteit te borgen. Het doel van het ondersteuningsplan niet is om data te genereren. Die komen er wel vandaan, maar dat is niet het primaire doel. En we registreren dus niks wat niet bijdraagt aan de ondersteuning van die klant.’

De buurtteamprofessionals doen dus heel veel zelf. Tachtig procent van wat in het oude stelsel AWBZ begeleiding was. Ze functioneren zo ongeveer als de huisarts. Ze behandelen in principe zelf en schakelen alleen als het nodig is specialistische hulp in. Ze indiceren dus ook niet op welk arrangement iemand recht heeft, maar kijken steeds wat er nodig is. En dat met lage administratieve lasten. Deze manier van werken was in eerste instantie wel eens onwennig.

De Visser: ‘In het begin was het continu de vraag; wat moeten we doen? Hoeveel ondersteuning moet ik bieden? Wie moet ik wel of niet ondersteunen? En het flauwe antwoord wat ik dan geef, is van ja sorry maar ik ben daar dus niet voor opgeleid. En het enige wat ik heb gedaan is jou aangenomen, want ik denk dat jij competent bent om die afweging te maken. En dat is natuurlijk flauw. Dus ik zeg ik wil best met je daar over praten, vertel welke dilemma’s er zijn. Maar uiteindelijk denk ik echt oprecht dat jij degene bent die het best in staat is om die afweging te maken. Niet alleen om wat je kunt en om wie je bent, maar ook omdat jij in die wijk zit. Die mensen voor je hebt staan en jij ook al die mensen ziet. In het begin is dat onwennig. En wat we hebben gedaan is elke maand die teams bij elkaar zetten, en we hebben gezegd; reflecteer is op de beslissingen die je hebt genomen. Die mensen die je bent gaan ondersteunen een maand geleden, als die nu weer voor je zouden zitten, zou je dan dezelfde afwegingen maken? Zou je dezelfde inspanning doen? Zou je dezelfde inzet doen? De doelen die je met elkaar hebt afgesproken, zijn die eigenlijk gehaald? En op die manier ook accepteren dat zo’n organisatie daarin leert en dat ze daarin ontwikkelen. Daarmee is het dus ook zo dat er in dit model dingen fout gaan. Mensen soms hele goede ondersteuning krijgen, soms minder goede ondersteuning krijgen. We hebben geen toverstok om alles beter te maken. Alleen, het werk wordt leuker voor de professional. Je gebruikt de competenties van die professional, want hier zijn zij voor opgeleid. Zij kunnen die overweging veel beter maken. Klanttevredenheid neemt toe, omdat mensen niet eerst drie keer moeten uitleggen waarom ze echt vinden dat ze die ondersteuning nodig hebben. Het ook niet meer gaat over hoeveel uur langskomt. Maar het gaat er eigenlijk over, wat is jouw ondersteuningsvraag en hoe kunnen wij je daarbij helpen?’

Hoe stuurt Utrecht dan op financiën? Als professionals vrijgelaten worden en geen indicaties of arrangementen hoeven af te geven. Krijg je dan niet een ongelimiteerde groei van zorg?

Van Ooijen: ‘Wij hebben het echt opengegooid. Wij hebben gezegd tegen de aanbieders, financieel heeft de gemeente één budget. Wij hebben geen honderd verschillenden, eigenlijk hebben wij één budget voor deze taken in de WMO. Dat betekent dat als wij de buurtteams op een andere manier inzetten, dat dat geld dus van de buurtteams naar bijvoorbeeld aanvullende zorg gaat. Of andersom, als er minder is over de aanvullende zorg, dan gaat dat naar de buurtteams. Want dat moet eigenlijk uit hetzelfde budget komen. Dus wij hebben ook tegen hen gezegd, vanuit die stelselverantwoordelijkheid, stel dat die buurtteams nu toch meer gaan doorverwijzen, dat betekent dat maar een ding. Namelijk, dat wij ook het budget daarop gaan korten. Want wij moeten dat geld dan besteden aan die partijen in de aanvullende zorg. Anders komen we er niet mee uit.’

De Visser: ‘De Gemeente Utrecht subsidieert ons, buurtteam Sociaal. Wij krijgen een bedrag dat gelijk staat aan vijfenzestig procent van wat vroeger ambulante begeleiding was. Daarvoor moeten wij elke Utrechter met een vraag ondersteunen. Dat bedrag is bekend, voor de komende zes jaar wordt geïndexeerd. Dat noemen we een lumpsum. De gemeente Utrecht maakt het niet uit welke ondersteuning je biedt, als je er maar voor zorgt dat elke Utrechter met een vraag ondersteund wordt. Eerst door ons, de basiszorg, en lukt dat niet, door de specialistische zorg. Wij accepteren elke Utrechter, de specialistische basiszorg moet iedereen accepteren die wij naar ze door verwijzen. Daarmee is op voorhand het geld volstrekt duidelijk, en is er geen enkele prikkel meer op individueel niveau om meer of minder uren te leveren of meer of minder ondersteuning te leveren.’

Door één lumpsum bedrag te bieden aan de buurtteams, en te verwachten dat ze daarvoor al hun taken uitvoeren. Voorkom je dat er een prikkel is om op individueel niveau om meer productie te draaien, omdat dat tot meer omzet zou leiden. Tegelijkertijd geeft Peter ook aan dat vijfenzestig procent van het budget wat vroeger voor ambulante begeleiding stond, overgekomen is naar de buurtteams. Terwijl tachtig procent van de taken zijn overgekomen uit de AWBZ naar de buurtteams toe. Dus voor vijfenzestig procent van het budget moet tachtig procent van de taken worden uitgevoerd.

De Visser: ‘Heel veel gemeentes vragen mij; goh, wat een leuk model dat willen wij ook doen. Maar ja, dat geeft natuurlijk heel veel gedoe met al die klanten want die krijgen uiteindelijk minder uur ondersteuning. Dat is absoluut zo. Want ja, als je veertig procent effectiever wordt betekent dat gewoon veertig procent minder uur inzetten. Dus ja, mensen krijgen per saldo minder uur ondersteuning. Het bijzondere is natuurlijk dat als je aan de voorkant dat tegen de mensen zegt dan breekt de pleuris uit, om het maar oneerbiedig te zeggen. Maar het is natuurlijk helemaal niet relevant hoeveel uur je aanbiedt. Eigenlijk is de kunst om met mensen vooral in gesprek te gaan over goh, wat zijn eigenlijk je zorgen? Waar maak je je druk over? Wat zou je willen in je leven, maar lukt nu niet? En als je daar heel erg mee aansluit, dan heeft niemand het meer over uren.’

Peter geeft een voorbeeld uit de praktijk van de buurtteams.

De Visser: ‘Ik heb een meneer gezien die licht verstandelijk beperkt, vijfenzeventig, al zijn hele leven twee uur begeleiding per week. Want dat was zo, werd ooit geïndiceerd. En hij deed vrijwilligerswerk bij een kinderboerderij. Onze medewerker kwam en die zegt; ik zat de eerste drie weken stilzwijgend naast die man op de bank, ik kwam er eigenlijk niet veel verder mee. En ik dacht, wat ben ik hier aan het doen? Toen ben ik eens gaan kijken goh wie kent hij. Nou de buurvrouw, die is uitgenodigd en koffie toen ik er ook was. Hij had nog een zus een paar jaar ouder. De mensen op de kinderboerderij. Samen zijn we zo eens wat mensen gaan bezoeken uit zijn leven. En ik heb tegen iedereen gezegd, joh als er nou ooit een keer iets misgaat, je maakt je zorgen of je komt er niet uit bel mij, dan komt ik. En ik had nog een andere klant, zei die medewerker, die een hondje had, maar die kon ze niet meer uitlaten. En vervolgens is hij met die meneer naar die mevrouw gegaan en zijn ze samen dat hondje gaan uitlaten. Dus werd die klant eigenlijk een vrijwilliger. Had hij dan een VOG, was dat allemaal geregeld? Nee, en dat hondje liep ook nog de eerste keer weg. Toen dacht hij, oh nee als dit nu allemaal misgaat, is het dan wel goed wat ik hier heb gedaan? Nou ja natuurlijk, dit is gewoon het echte leven. Het hondje kwam gelukkig weer terug, en vervolgens is die meneer twee keer per week zelfstandig dat hondje gaan uitlaten bij die mevrouw. Onze medewerker loopt één keer per maand mee. Tijdens dat uurtje wandelen met die hond kunnen ze makkelijker tot een gesprek komen, dan op de bank bij die man thuis. En we weten gewoon, met deze meneer zal het ooit een keer misgaan. Hij is niet in staat om in lastige situaties dat zelf op te lossen. Dus als zijn zus dood gaat, als hij ruzie krijgt met iemand, dan ontstaat er stress en dan gaat hij waarschijnlijk onhandige keuzes maken. Alleen doordat je de omgeving van die meneer hebt ingeschakeld, en er genoeg mensen zijn die hem tegenkomen en je nabij bent, heb je eigenlijk veel betere ondersteuning. Terwijl als je kijkt naar de effectieve inzet, was het twee uur per week en nu is het nog een uur per maand.’

Voordat Utrecht in 2015 in heel de stad op deze manier ging werken, startte het eerste met een pilot in twee wijken.

Tom: ‘We weten het nog niet zo goed, we willen zulke grote veranderingen. Het is nog niet daar. Laten we gaan oefenen en we hebben toen twee wijkteams, buurtteams zijn die later gaan heten, opgericht. En met de vraag werkt het. We hebben toen ook aan professionals gevraagd, ga dit is proberen zoals jullie denken dat dit kan. Probeer dit handen en voeten te geven. En we zijn steeds gaan leren van wat zij ons weer te vertellen hadden. En dat heeft zich uiteindelijk in 2014 in een uitvraag gemond en zijn er twee nieuwe organisaties in de stad gekomen met buurtteams.’

Utrecht heeft dus in de pilot geleerd wat voor typen mensen nodig zijn in die buurtteams om op een goede manier die taken te kunnen uitvoeren. En door vervolgens een aanbesteding te doen en twee nieuwe organisaties op te zetten, had Utrecht ook de mogelijkheid om mensen te selecteren voor die posities.

Tom: ‘Die nieuwe organisaties hebben we echt zorgvuldig uitgezocht, die bestonden dus nog niet. We hadden alleen de pilotteams, maar in datzelfde najaar van 2014 hebben ze heel veel mensen aangenomen uit de organisaties van aanvullende zorg die de AWBZ gaven. En ze hebben echt mensen geselecteerd die dit graag wilde en goed zouden kunnen. En die stonden op 1 januari in de eerste teams. In 2015 hebben we in het eerste jaar wel een half jaar genomen, en ook dubbel betaald om in alle rust mensen die dan over moesten gaan van AWBZ naar het buurtteam om daar de tijd voor te nemen om dat goed te doen.’

De Visser: ‘Ik denk dat het belangrijk is als je naar zo’n model gaat dat je ook moet zorgen dat je in de meest ideale situatie aan de voorkant kunt selecteren. Wat we in Utrecht hebben gedaan is, er is een nieuwe organisatie opgericht. Wij hebben gezegd, wij hebben voor dit werk mensen nodig en wij gaan in eerste instantie alleen selecteren uit mensen die in Utrecht dit werk nu al doen. Waarbij ‘dit werk’ redelijk ruim geformuleerd is. Iedereen die in Utrecht op enige manier actief was en uit Utrecht kwam die kon solliciteren. En wij zijn rondjes gaan maken langs alle aanbieders die dat daarvoor deden. En wat ik daar vooral heb verteld is aan de ene kant hoe ontzettend leuk het is en hoeveel ruimte je krijgt. Ruimte en autonomie zijn hartstikke mooie woorden, maar dat geeft dus ook meer verantwoordelijkheid. Dat betekent wel dat jij zelf keuzes moet maken, terwijl je in het verleden misschien veel meer keuzes uitvoerde die een ander had gemaakt. Dit betekent ook dat, ja gelukkig zijn er ook een heleboel mensen die ondersteuning nodig hebben die werk hebben, dat je soms ook wel eens ’s avonds moet werken of in het weekend. Dat ga ik niet van tevoren afspreken, dat je elke dinsdagavond moet werken. Nee, wij gaan niet op je uren zitten, maar daar hoort dus ook bij dat je zelf op die uren beschikbaar bent dat nodig is. Die flexibiliteit en die spirit ook van bereid zijn om je eigen manier van werken los te laten, in het onzekere te duiken, kwetsbaar te zijn. Op zoek te gaan naar een nieuwe manier van werken, dat moet je leuk vinden.’

En toen die professionals geworven waren zijn ze verdeeld over de stad.

De Visser: ‘Toen wij startten hebben we eigenlijk op basis van de historische zorgvraag, de sociaaleconomische status in een wijk, alle beschikbare informatie, hebben we een soort van profiel per buurt gemaakt. En op basis daarvan hebben we gekeken welke expertise zou nou minimaal in elk team aanwezig moeten zijn. En voor sommige wijken, welke expertise moet hier dominant aanwezig zijn. Vervolgens hebben we die medewerkers zo verdeeld over de teams dat er een evenredige verdeling is van die specialisme over die teams.’

De sleutel tot succes is in het Utrechtse model zit dus in de professionals aan de voorkant. De professionals in de buurtteams, zij kunnen zelf de afweging maken wat een Utrechter nodig heeft aan ondersteuning en kunnen heel veel van deze ondersteuning zelf bieden. Ze krijgen de ruimte om hun eigen professionaliteit te pakken. En deze professionals zijn allemaal geselecteerd op het feit dat ze deze manier van werken willen en ook kunnen vormgeven. En vervolgens moet je kijken op welke plek welk specialisme nodig is, en welke kennis in alle wijken nodig is. Utrecht heeft daarbij gekozen om jeugd en volwassenen in twee aparte teams onder te brengen.

Tom: ‘We hebben de keuze gemaakt om twee buurtteamorganisaties te hebben achter één voordeur. En die twee organisaties, de een is gericht op volwassenen en de ander is gericht op kinderen en gezinnen. Dat hebben we gedaan, omdat we in de proefperiode ontdekte dat er echt een grens is aan hoeveel expertise je kunt koppelen in een generalistische professional. We hebben heel goed geluisterd naar de professionals. En ze werken wel samen nogmaals achter een voordeur, maar ze hebben toch ook wel heel erg hun eigen netwerk. De een heel erg bijvoorbeeld met het onderwijs, en de ander juist met organisaties in de GGZ of verslavingsproblematiek. En dat is ook zo gebleven toen we het opnieuw hebben ingekocht vorig jaar.’

De Visser: ‘Het belangrijkste uitgangspunt is dat de inwoner van Utrecht dat niet mag merken. Dus wij heten allemaal buurtteams, we hebben een gezamenlijke voordeur. Een Utrechter hoeft niet te denken; hé, heb ik een kind en is dat een onderdeel van dit probleem of niet? Die komt bij die voordeur en aan die voordeur wordt doorgevraagd. En op basis van wat daar aan informatie wordt opgehaald, wordt besloten naar welk team je gaat. En voor die Utrechter maakt dat niet uit, want we zijn allemaal buurtteams. Dus dat is denk ik een belangrijk uitgangspunt wat ik in ieder geval iedereen wil adviseren. Zorg dat inwoners geen last hebben van hoe je dingen inricht. Het moet gewoon een simpele voordeur zijn waar iedereen terecht kan.’

Tot nu toe hebben we het vooral over de buurtteams gehad, maar Utrecht heeft daarnaast dus nog twee andere lagen. De sociale basis, dan de buurtteams en dan de aanvullende of specialistische hulp.

Tom: ‘De buurtteams zijn ook ingebed in de wijk, want het hele systeem werkt eigenlijk gebiedsgericht zodat mensen ook elkaar kennen. Dus ze kennen ook heel goed de mensen uit de sociale basis. Bijvoorbeeld van de JGZ, bijvoorbeeld op scholen, ze kennen de huisartsen, ze kennen de wijkverpleegkundigen en op die manier kunnen zij ook heel snel schakelen als dat nodig is rond om een cliënt.’

Van Ooijen: ‘We hebben het netwerk informele zorg, wat allemaal partijen heeft die met elkaar in een netwerk gestapt zijn. Die zeggen; we moeten met elkaar een betere alliantie vormen. Ook om een goede ingang te zijn naar die buurtteams toe. En die hebben op een geven moment een uitwisseling gehad tussen de buurtteams en het netwerk informele zorg, van wat doen wij eigenlijk? En hoe kunnen wij elkaar eigenlijk ondersteunen? Dat noemden we op een gegeven moment ambassadeurs van netwerk informele zorg, en die hebben op een gegeven moment gewoon bij in gelopen. En anders om ook, om elkaars werkveld veel beter te zien. Want het is echt heel anders als je bij een handje-helpen werk, of je komt uit de sociaaljuridische hulpverlening. Dat zijn andere werelden. En dat hebben we bij elkaar gevoegd. En op deze manier is er veel meer perspectief over en weer gekomen over wanneer kan ik eigenlijk inderdaad dankbaar gebruik maken van wat er gebeurt in het informele netwerk? En wanneer kan dat ook niet en wanneer moet je daar ook niet op hopen?’

Die kennis over en weer en die interactie tussen die sociale basis en die buurtteams. En zoals je straks zal horen ook tussen het buurtteam en de specialistische hulp, is heel belangrijk. Er zijn dan ook niet altijd zwart-wit grenzen waar sociale basis eindigt en het buurtteam begint. En waar het buurtteam eindigt, en de specialistische hulp begint.

De Visser: ‘Dus het buurtteam kan mensen toe leiden naar alle voorzieningen die er in een wijk zijn. Maar die kan ook, en moet eigenlijk ook aangeven welke voorzieningen er nodig zijn. Omdat het kan zijn dat er in een specifieke buurt door type woningen dat er zijn, relatief veel jonge mannen zijn met gedragsproblemen die slecht landen in een sportvereniging. Dan is dat een heel belangrijk signaal om aan te geven, bij bijvoorbeeld een sportvereniging of een combinatiefunctionaris of een sociaal makelaar. Zodat zij daar vervolgens mee aan de slag kunnen gaan. En dan moet je volgens mij vooral grijze gebieden durven laten ontstaan. Je ziet dat heel veel gemeentes enorm willen afbakenen wie waarvoor is, en dat werkt niet. Want dat is namelijk niet te bepalen. Dus soms doen onze buurtteammedewerkers werk wat je eigenlijk ook een opbouwwerker zou kunnen laten doen. En soms doet een opbouwwerker werk wat lijkt op het werk van een individueel begeleider. Dat is niet erg zo lang dat maar gecoördineerd gebeurt. Dus wat je vooral denk ik heel goed moet regelen is, erkennen en expliciet maken dat er grijze gebieden zijn en niet de verantwoordelijkheid voor dat grijze gebied bij de gemeenten neerleggen. Maar de verantwoordelijkheid voor dat grijze gebied bij de uitvoerders neerleggen. In dit geval, de buurtteamorganisatie Sociaal en de sociaal makelaar. Of die buurtteamorganisatie Sociaal en de ambulante begeleiding in het specialistische veld.’

Ook in dit geval geldt dus dat Utrecht de buurtteammedewerker expliciet de ruimte geeft om zijn eigen professionele afweging te maken. Dat geldt ook voor het aanhaken van specialistische of aanvullende zorg.

Tom: ‘Een buurtteammedewerker kan dus als daar behoefte aan is doorverwijzen naar de aanvullende zorg, of liever nog andersom. Mensen uit de aanvullende zorg bij het gezin halen, bij de kwestie halen. Dat kan bijvoorbeeld zijn dat er schuldhulpverlening nodig is van veel specialistische aard, maar ook GGZ expertise of expertise op een aandoening die iemand heeft.'

Toke geeft dus aan dat het belangrijk is dat er zo veel als mogelijk geprobeerd wordt specialistische zorg aan te haken, in plaats van dat er doorverwezen wordt. Op die manier blijft die buurtteamedewerker centraal staan in de dienstverlening aan een Utrechter. Het is niet zo dat Utrecht al gelijk op 1 januari 2015 op deze manier ging werken.

Tom: ‘Ook sinds 2015 zijn wij steeds bezig geweest om verder te ontwikkelen samen met de stad. Stap voor stap. En een van de belangrijke onderdelen was daarin dat we ontdekten samen met onze partners, dat de specialistische zorg eigenlijk niet op een manier kon samenwerken zoals we dat graag wilden. Als ze niet ook gebiedsgericht zouden gaan werken. Dat zowel de hulpverlener GGZ, als het buurtteam, als de huisarts in de school, elkaar toch kennen. Dat is heel erg belangrijk. Dat gebiedsgerichte is een pijler onder ons systeem.’

Als je hele aanpak erop gericht is om buurtgericht te werken, is het ergens logisch om ook je specialistische zorg op die manier in te richten. Suzanne Verdoold, kwartiermaker van de pilot buurtgerichte specialistische jeugdhulp, vertelt wat de gedachte was van gemeente en aanbieders toen ze die constatering deden.

Verdoold: ‘Laten we het gewoon maar gaan proberen. En dat is waarmee in Utrecht de pilot is opgezet, om in twee wijken integrale jeugdhulp, specialistische jeugdhulp, neer te zetten. En daarom hebben we ook wel kunnen kijken van, wat kun je daar op een andere manier in doen. Want nu wordt er heel snel doorverwezen. Dus als we denken dat er misschien met een kind meer aan de hand is, dus bijvoorbeeld sprake is van trauma of van ADHD, dan wordt er doorverwezen naar een andere hulpverlener. Die moet dan zeggen of dat aan de hand is en daar wel of niet behandelding op doen. Terwijl wat we nu doen is eigen veel meer aansluiten bij de hulpverlening die al in het gezin is. En hoe werk je dan samen? Dat gaat erover dat je elkaar kent. Weet hier ben jij heel goed in, jij hebt al het contact met het gezin. En je bespreekt met elkaar wat het dat is wat je specifiek van mij nodig hebt. Dus niet het hele aanbod, maar precies dat stukje wat je nog mist in dat wat je nu met het gezin aan het doen bent. Ik vind het vaak een soort lego huisjes. We hebben huisjes gebouwd van lego blokken, en dat noemen we aanbod. Dan zeggen we dit is het traject wat wij doen. Maar als je vraagt; mag ik de helft van deze stenen? Dat kan niet, dan moet het vaak wel het hele lego huisje zijn of niet. Terwijl, ik denk soms ben jij al de helft van het lego huis, en heb je dus niet nog een hele daarnaast nodig om dat te kunnen doen.’

In deze manier van werken kijken dus de buurtteamprofessional samen met het gezin naar welke specialistische hulp nodig is. En de specialistische hulp biedt niet kant en klare pakketten van complete arrangementen, maar kan modulair werken en precies dat bieden wat nodig is. Dat kan soms advies zijn, soms echte ondersteuning en soms een veel uitgebreider traject.

Verdoold: ‘En dat heeft ook consequenties voor financiering, want dat maakt dat je de ene keer meer doet dan de andere keer. Dus je hebt geen standaard trajecten, geen standaard pakketten. Dus ook niet die je standaard kunt financieren. Dat maakt ook bijvoorbeeld dat we consult kunnen doen. Dus echt een keertje mee met een collega van het buurtteam of aansluiten bij een gesprek van een gezin met de huisarts om dat gewoon een uurtje te doen. En dat zit in de financiering. Dus daar hoef je niet eerst weer een traject voor aan te vragen of beschikking voor aan te vragen. Die ruimte is er om dat te doen wat nodig is.’

Het interessante van deze manier van werken is dat de buurtteamprofessionals ook heel veel leren van die specialistische hulp.

Verdoold: ‘Het buurtteam denkt wellicht is er sprake van trauma, dan gaat de psycholoog vragen; welke kenmerken zie je dan? Welke symptomen zie je dan? De volgende keer weet die buurtteammedewerker nog beter welke vragen die al aan het gezin moet stellen om te screenen of er sprake is van trauma. En ik denk dus, dat is ook nog een soort proces wat zichzelf blijft verbeteren door het delen van kennis. En dat vind ik ook heel erg passen bij deze werkwijze. Dit gaat over delen van kennis en niet het zitten op je kennis. Je houdt het niet bij je, en je zegt kom maar naar mij als je mijn kennis wilt. Maar je deelt het met wie het nodig heeft. Dus ook met scholen of met het buurtteam of de huisarts.’

Het niet blijven zitten op je kennis, maar het delen van je kennis. Suzanne geeft een mooi voorbeeld van een samenwerking die ze had met Thomas Wormgoor van Use. Het ging over het thema genderdysforie.

Verdoold: ‘En dat is een hele specifieke expertise. En in Amsterdam aan de VU heb je daar de specialist voor. En in het team in Leidsche Rijn was een klinisch psycholoog die zei; volgens mij zou ik hier ook wel iets mee kunnen, maar ik weet het niet helemaal zeker. Die is gaan bellen met de specialist in Amsterdam. En heeft gevraagd; denk je dat ik dit kan? En daarvan hebben zij overlegd van wat kun je dan en welke dingen kun je inzetten. En uiteindelijk kwamen zij tot de conclusie dat het wel zou kunnen, maar toen hebben ouders de keuze voorgelegd. Wat wil je, als je wil naar Amsterdam naar de specialist daar dan kan dat. Maar als je zegt ik wil de zorg in de wijk en dichtbij, dan hebben wij een klinisch psycholoog, dan kan dat. En de specialist uit Amsterdam gaf aan, bel mij gerust als je vragen hebt als je het gaat doen. Uiteindelijk heeft het gezin inderdaad gekozen voor de hulp dichtbij in de wijk. En heeft de VU een e-learning module gemaakt waarin zij hun kennis hebben gedeeld voor meerdere professionals in deze teams. Dus daarvan zie je echt dat het anders kijken is, naar hoe ga je met kennis om. En uiteindelijk wil je dat de kennis komt bij de kinderen die het nodig hebben. En dat vraagt een andere manier van werken.’

De pilot die startte in twee wijken werd zeer positief beoordeeld. Zowel door professionals als door de gezinnen zelf.

Verdoold: ‘Die gaven echt heel erg aan dat zij het heel fijn vonden dat dus inderdaad hun vraag centraal stond. En dat er gezamenlijk gekeken werd wat de passende oplossing zou zijn. Dus niet vanuit het aanbod bedacht, dit is het en nu gaan we dit traject volgen. Maar echt gekeken past dit bij jullie? Nee, dan gaan we iets anders doen. Past dit bij jullie? En gaat dat echt helpen in het functioneren van het kind? Gaat het dan beter op school? Gaat het dan beter thuis? En dat samen met het gezin op maat kunnen doen. En dat gaf ook veel goede reacties van de gezinnen terug.’

En daarom heeft Utrecht ervoor gekozen om de werkwijze van de pilot in heel de stad te gaan toepassen.

Tom: ‘Toen hebben we weer een inkoop uitgezet. We hebben echt een nieuwe aanbesteding daar om gevraagd, om deze buurtgerichte aanvullende zorg in de jeugdzorg. We hebben een dialoog gerichte aanbesteding daarvoor gekozen, waar ook jongeren zelf in hebben meegesproken, waar ook ouders hebben meegesproken. Maar ook mensen vanuit het onderwijs en de buurtteams hebben meegedacht. En een dialoog gevoerd hebben met de potentiele aanbieders die dit konden gaan doen. Daar hebben we ongeveer een half jaar over gedaan. En in afgelopen juli hebben we met elkaar de keuze gemaakt voor twee organisaties in de stad die deze specialistische jeugdzorg gaan bieden, in nauwe aansluiting op het buurtteam. En die twee organisaties die verdelen zichzelf over de stad. En wij gaan van zo’n zes tot negen jaar met hen nu een traject in, waarin we steeds meer al die hulp op maat zo veel mogelijk in de buurt, dicht bij huis, gaan realiseren.’

Contracten van zes tot negen jaar, dat zijn best lange periodes waar Toke het over heeft. Maar Suzanne geeft aan dat dat nodig is.

Verdoold: ‘Samenwerken kost tijd. En is echt van essentieel belang voor goede zorg voor kinderen en jeugd dat we dat doen. Maar het kost ook tijd, en dus ook in het verdiepen in wat een ander kan en wat een ander doet. Dus een huisarts ziet vaak een gezin al jaren, kent ouders goed, kent ontwikkeling van kinderen. Maar heeft ook een andere manier van werken, dus goed samenwerken met de huisarts vraag ook even begrijpen wat de wereld is waar een huisarts in werkt. En hoe je daarmee kunt samenwerken. Maar ook dus wat een buurtteam goed kan, waardoor je ook wel die samenwerking echt beter vorm kunt geven. En ook weet, wie zijn nu in deze wijk belangrijke partners. In Zuilen bijvoorbeeld was dat de buurtpastoor, nou dat bedenk je ook niet zomaar van tevoren en zeker niet vanuit specialistische zorg. En ook de samenwerking met scholen is wel echt heel erg van belang om te snappen, hoe werkt dit op welke school en wat is daarin nodig voor specifieke kinderen?’

Ook hier gaat het dus weer om de goede balans en het goede samenspel tussen die drie lagen in het Utrechtse systeem. De sociale basis, de buurtteams en de specialistische hulp die aanvullend is. En door de manier van werken in Utrecht is die specialistische hulp echt aanvullend op wat het buurtteam doet. En die drie lagen moeten vervolgens weer op een goede manier met elkaar samenwerken. Want je moet als specialistische hulp in zien dat je aanvullend bent en over het algemeen ook tijdelijk.

Verdoold: ‘Ik denk wat je ziet is dat inderdaad, het gewone leven is natuurlijk het grootst. Dus je gaat uit van dat er maar een beperkt deel van de kinderen te maken krijgt met specialistische zorg. Tegelijkertijd is het ook hulpverleners eigen om dan het geheel op zich te nemen, terwijl ook kinderen in specialistische zorg nog een heel gewoon leven hebben. Dus dat met name in dus ook zo’n wijk als Zuilen, daar is meer aan de hand soms in één gezin, en daarin kan de buurtpastoor een hele goede rol hebben. En al heel lang een goede rol hebben. Terwijl je als specialistische zorg soms even in komt vliegen, omdat er een specifieke vraag is. Maar als je dan onderschat wat de rol is van die buurtpastoor, dan sla je ook de plank een beetje mis. En dat is denk ik wel echt wat je leert in zo’n wijk, is dus ook te zien wat er al is en daar niet in op nieuw te beginnen.’

De buurtgerichte manier van werken in het specialistische domein richt zich in Utrecht op de jeugd. Maar ook aan de kant van de volwassenen wordt nu die beweging ingezet. Dit gebeurt samen met de verzekeraar verteld Peter de Visser.

De Visser: ‘Dat is eigenlijk een beweging die ingezet is vanuit de verzekeraar, in dit geval Zilveren Kruis of Achmea. Zij hebben jaren geleden al een studie gedaan en zagen dat er een hele grote groep mensen was met psychische klachten waarbij de behandeling niet altijd effectief is. En dat heeft eigenlijk een beweging binnengebracht waarbij een heel groot deel van de GGZ die klassiek in een GGZ-instelling plaatsvindt. Dus we hebben het niet over opnames maar echt poliklinische GGZ, maar ook die vindt vaak plaats in het bastion van de GGZ-instellingen. Dat die GGZ uit die gebouwen is gehaald en wijkgericht aangeboden wordt.’

Peter vertelt wat het negatieve effect kan zijn van dat GGZ aanbieden in een ‘bastion’ zoals hij dat noemt.

De Visser: ‘Ik heb wel eens meegemaakt dat ik met een buurtteammedewerker meeliep in een situatie waarbij twee volwassen mensen om de beurt een burn-out hadden. Allebei daarvoor begeleid werden of behandeld werden in de GGZ instelling. Letterlijk vertelde, nou dat is hartstikke leuk met de bus aan de andere kant van de stad. Ik heb daar tien gesprekken gehad, hartstikke nuttig. En vervolgens zie je, ik als leek zie dat al, dat je in zo’n situatie komt bij die mensen thuis en dat je dan denkt; ja, wat hebben deze mensen eigenlijk daaraan gehad? Terwijl op zich die specifieke competentie en kennis van die specialistische behandelaar ontzettend relevant zou zijn. Alleen de kunst is om die competentie in de context relevant te maken. En door die GGZ in de wijk te zetten, letterlijk op dezelfde locatie als het buurtteam, zie je dat de interactie tussen dat buurtteam en die psychiater veel directer wordt. In het stelsel zitten er allemaal ingewikkeldheden in, want dat gaat natuurlijk via de huisarts enzovoort. Maar in de praktijk zie je dat het zichzelf behoorlijk oplost, omdat die mensen bij elkaar zitten. En veel van die klanten het natuurlijk ook helemaal niet erg vinden dat er interactie is. Alleen in het verleden toen die psychiater nog veel verder weg was, ging dat eerst via een SPV en waren er allemaal omwegen. En zag je dat onze buurtteammedewerkers best schroom hadden en moeite hadden om direct toegang te krijgen tot die behandelaar. En nu die behandelaar in de wijk zit, zie je dat er eigenlijk veel directer contact is, dat er veel meer onderling begrip is en dat er langzaam maar zeker steeds meer slagen worden gemaakt om gezamenlijk op te trekken.’

We hebben in deze podcast gehoord over de manier waarop Utrecht het sociaal domein inricht. Op zich zijn de drie lagen die ze toepassen, de sociale basis, de buurtteams en de aanvullende specialistische hulp, niet zo bijzonder. Maar het is de manier waarop Utrecht het inricht die het anders maakt. De buurtteamprofessional is echt de sleutel in het systeem in Utrecht. Zij hebben een enorme ruimte om zelf te handelen. Tachtig procent van wat eerst AWBZ begeleiding was, doet de buurtteamprofessional zelf. Daarmee is de buurtteamprofessional niet een indicatieorgaan, maar echt een handelende professional, een beetje à la de huisarts. En als het dan nodig is om door te verwijzen, dan is het niet zo dat die specialistische zorg het helemaal overneemt, maar dat die zo veel mogelijk aanvullend is op wat de buurtteamprofessional aan het doen is. Om dit mogelijk te maken, is die hele specialistische zorg niet ingericht in kant en klare arrangementen, maar modulair. Het zijn niet kant en klare lego huisjes, maar ja lego huisjes waar je ook stukken van kan kiezen. Aan de kant van jeugd wordt dit nu over de hele stad uitgerold. En aan de kant van de volwassenen zijn ze nu onder andere op het gebied van de GGZ bezig om samen met de verzekeraar ook buurtgericht te werken. Het is het vertrouwen in de buurtteammedewerker en die de ruimte geven om vanuit zijn kennis en kunde de juiste beslissing te nemen, specialistische hulp aan te haken indien nodig en zo vanuit de vraag van de inwoners te kunnen denken. En alle administratieve en financiële componenten daaromheen, is allemaal ten dienste aan de ruimte en het vertrouwen aan de professional. Wethouder Maarten van Ooijen heeft een anekdote die eigenlijk dat mooi samenvat. Hij vertelt over een werkbezoek die hij een keer deed.

Van Ooijen: ‘Dus ik was bij een mevrouw thuis, en die mevrouw werd al geholpen door een behandelaar. Dus er was al een psychiater die daarbij betrokken was. En ik kwam dus daar vanuit het GGZ gebiedsteam, dus eigenlijk een combinatie van buurtteam met GGZ partijen. Ik kwam daar bij die mevrouw thuis en constateerde op een gegeven moment, zo tussen neus en lippen door dat gesprek, dat er eigenlijk nog helemaal geen beschikking was voor die mevrouw, voor die ondersteuning die zij kreeg. Dus ik dacht hoor ik dat nou goed? Ja, die mevrouw had natuurlijk helemaal geen perspectief van. En die zei; Ja, ik moet nog een brief krijgen en die moet ik nog ondertekenen en ik snap er helemaal niks van. Dus ik dacht; brief krijgen? Brief krijgen? Volgens mij is er gewoon nog helemaal geen beschikking afgegeven. Dus ik zei achteraf tegen die begeleider, die professional met wie ik meeging. Ik zeg; joh, vertel even, hoe is dat nou gegaan? Toen zei hij; ja, maar wij zijn ervan overtuigd dat dat nu nodig is, wij willen nu alle zorg leveren of de ondersteuning bieden, want we gaan echt niet wachten met deze mevrouw. Dus we lopen hier gewoon nu al, en inderdaad die beschikking die volgt nog wel. En toen dacht ik, ja dit is dus werken vanuit vertrouwen hé. Niet wachten tot de papieren en de paprassen geregeld zijn, waarvan je eigenlijk al zeker weet dat gaat zo meteen echt wel goed komen. Maar nú leveren en nú er zijn, perspectief bieden aan deze mevrouw, en vervolgens komt de bureaucratie en het papierwerk. Dat is niet onbelangrijk, maar dat mag niet dominerend worden.’

De podcast waar je zojuist naar hebt geluisterd maakt onderdeel uit van een tweeluik. Het andere deel gaat over het Utrechtse sturingsmodel, gebaseerd op het model van Simons. Je vindt de podcast in je podcastapp of op de website www.programmasociaaldomein.nl. Op welke manier geef jij ruimte aan professionals? Hoe zorg jij dat de vraag van je inwoner echt centraal staat? En hoe verhouden bij jou specialistische hulp en basishulp zich tot elkaar? We horen het graag, laat het ons weten via de website, via Whatsapp of per mail. We zijn benieuwd naar jouw verhalen. Voor nu, bedankt voor het luisteren/lezen!