27 februari 2018

Even bellen met…Tamara van Ark

Binnen het Programma Sociaal Domein werken gemeenten en Rijk samen om het sociaal domein te versterken. Zodat professionals nog meer van waarde kunnen zijn voor mensen in een kwetsbare positie. In deze rubriek laten we betrokkenen en deskundigen aan het woord over het Programma Sociaal Domein.

Dit keer spreken we Tamara van Ark, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. 

Kunt u iets vertellen over het Programma Sociaal Domein?

‘Veel van onze sociale domeinen overlappen. Als mensen met een vraag of een zorg bij een overheidsloket komen, worden domeinen nog te weinig gelinkt. Neem de domeinen Werk en Inkomen en Zorg en Ondersteuning: als iemand een zorg heeft over werk of inkomen, wordt er meestal niet gekeken naar hoe iemand woont, wat voor gezondheidsklachten er spelen, of iemand mantelzorger is, enzovoorts. De decentralisatie geeft ons de kans om naar mensen in hun gehéél te kijken.’

‘Nu kunnen we zeggen: deze behandeling of oplossing is misschien een grote investering, maar gaat voor deze persoon ook op een ander domein veel opleveren. Het gaat weer over mensen, in plaats van over systemen. Je wordt gezien als je met een vraag rondloopt. Dat vind ik belangrijk.’

Hoe gaat dat in de praktijk?

‘Het is natuurlijk makkelijker gezegd dan gedaan, want er spelen allerlei ontwikkelingen rond de decentralisatie. Medewerkers in het sociaal domein zijn de afgelopen jaren op een heel andere manier gaan werken, bijvoorbeeld. Dat levert dilemma’s op. Vroeger had je gewoon een checklist die je invulde om te zien of iemand recht had op een scootmobiel, nu moet je op zoek naar de vraag áchter de vraag. En: soms moet je nee zeggen. Dat is moeilijk. Daarom is het van belang dat er gekeken wordt waar de interactie tussen verschillende beleidsterreinen zit, en hoe de samenwerking het beste werkt. Want voor mensen met een zorg maakt het niet uit welke hulp er bij de ene helft van de overheid vandaan komt en wat bij de andere helft – zij willen het probleem gewoon oplossen.’

Hoe ziet de samenwerking tussen het Rijk en de gemeenten eruit?

‘Met de decentralisatie geven wij als Rijksoverheid de taken over aan gemeenten. Dat betekent niet dat de overheid er niets meer mee te maken heeft, maar zij krijgt een meer regisserende rol. Dat loslaten is lastig, want er is veel betrokkenheid. We willen dingen graag goed regelen voor de mensen. Maar decentralisatie betekent ook: accepteren dat je er niet meer over gaat en dat nu de gemeenteraad of wethouder aan zet is. En erop vertrouwen dat zij zaken goed behandelen. Het is nu mijn taak om mensen te enthousiasmeren, goede voorbeelden uit te wisselen en zo de regie te pakken.’

‘Als er nu iemand aan de balie komt, kijken we: hoe gaan we sámen met deze persoon aan de slag? De decentralisatie houdt namelijk ook in dat we kijken wat mensen zélf kunnen meebrengen om tot een oplossing te komen. En welke partijen daarbij betrokken moeten zijn. Als het bijvoorbeeld om schoolverlaters gaat, heb je te maken met gemeenten, scholen en allerlei andere departementen. Die komen elkaar niet zomaar tegen – dat moet je organiseren. We moeten leren om over onze eigen schutting te kijken. Zo kunnen we elkaar vinden en samen tot oplossingen komen.’