Erik Dannenberg (Divosa): 'Rijk en gemeenten zijn toe aan een meer volwassen relatie'

De relaties tussen zowel Rijk en gemeenten als overheid en burger staan onder druk. Betere toegang tot hulp en ondersteuning voor mensen in kwetsbare situaties of die laaggeletterd zijn, is hard nodig om de kloof tussen overheid en burger te dichten. Rijk en gemeenten zijn op hun beurt toe aan een meer volwassen relatie. Een goede relatie vraagt om wederzijds vertrouwen en je moet er aan blijven werken, betoogt Divosa-voorzitter Erik Dannenberg.

waslijn, decentralisaties, dannenberg

Het sociaal domein staat volop in de schijnwerpers. Natuurlijk was er in 2020 de toeslagenaffaire die pijnlijk duidelijk maakte hoe de relatie tussen overheid en burger soms spaak loopt. En onlangs stapte de VNG naar de bestuurlijke arbitragecommissie om de tekorten op de jeugdzorg, die oplopen tot zo’n 1,7 miljard per jaar, op scherp te zetten. Er moet meer geld komen, aldus de VNG. Daarmee staat ook de relatie gemeenten-Rijk onder druk.

Maar het gaat niet alleen om meer geld. Natuurlijk zijn de tekorten voor gemeenten reëel en verlammend, daar moet echt wat aan gebeuren. Gemeenten moeten zelf ook doorpakken met de revisie van het sociaal domein. We zijn nu zes jaar onderweg met de gedecentraliseerde taken. Dat gaat met vallen en opstaan, zo bleek ook uit het SCP-rapport van afgelopen najaar.

Maar het gaat niet alleen om meer geld. Gemeenten moeten zelf ook doorpakken met de revisie van het sociaal domein.

Buiten de lijntjes 

Het Rijk zit nu vaak nog in een soort ‘ouderrol’ en trekt de teugels aan zodra gemeenten buiten de lijntjes lopen. Gemeenten, die als je de gezinsmetafoor doortrekt dus ‘het huis al uit zijn’, vragen om meer ruimte en vertrouwen. Dat is nodig om bijvoorbeeld andere partnerschappen aan te gaan met aanbieders van ondersteuning en (jeugd)zorg. Maar ook om de samenwerking in de regio te verbeteren en meer ruimte en steun te geven aan professionals voor maatwerk. 

Het Rijk zit nu vaak nog in een soort ‘ouderrol’ en trekt de teugels aan zodra gemeenten buiten de lijntjes lopen.

Als ik naar deze situatie kijk, trek ik weleens de vergelijking met opvoeden zoals ik het persoonlijk ken. Toen onze kinderen tieners waren en gingen studeren, kwamen ze weleens thuis met een volle waszak. Vaak zeiden ze ook: ‘Oh ja, ik kom nog wat geld tekort’. Wij glimlachten dan, soms als een boer met kiespijn, en schoten meestal te hulp. 

Mijn kinderen zijn nu dertigers en we hebben een goede band met ze. Als ouders zien we nog steeds een adviserende rol, maar meer op afstand. Verder zijn onze kinderen volledig autonoom en verantwoordelijk voor hun eigen leven. Ontwikkelen naar zo’n stabiele relatie wens ik ook gemeenten en het Rijk toe. Die relatie is een voorwaarde om de transformatie tot een succes te maken. 

Bestaansonzekerheid

Dat geldt ook, maar dan anders, voor de relatie tussen overheid en burger. Divosa en haar leden maken zich zorgen om het toenemende aantal mensen dat leeft in bestaansonzekerheid. Onzekerheid over een baan, een dak boven hun hoofd, eten op tafel, betaalbare en toegankelijke zorg en een sluitend ‘huishoudboekje’.
 
De bittere ironie is dat we in Nederland de toegang tot hulp en ondersteuning echt veel te moeilijk maken. En dan juist voor mensen in kwetsbare situaties of mensen die laaggeletterd zijn, die hier relatief vaak een beroep op doen. Denk aan de onzekerheid over wat er gebeurt met je inkomen, wanneer je vanuit de bijstand aan het werk gaat. In plaats van het versimpelen van wetten en regels, verzinnen we er steeds iets nieuws bij.

De bittere ironie is dat we in Nederland de toegang tot hulp en ondersteuning echt veel te moeilijk maken.

Het resultaat is steeds fijnmazigere indicatiepoortjes voor mensen die bij de overheid aankloppen voor ondersteuning. Ik vergelijk het weleens met een sjoelbak: eenmaal door een poortje ‘dagbesteding’ of ‘beschut werk’ kom je haast niet meer in een ander vakje. Dat is niet het groeigerichte dat bij een mensenleven past. 
 
Dat alles maakt ook dat in Nederland zoveel mensen vastzitten in een regeling of een uitkering. Zelfs voor corona, in hoogconjunctuur, stonden nog steeds 1,5 miljoen mensen in Nederland aan de kant. We mogen mensen niet ‘afschepen’ met een uitkering, zegt de WRR terecht. Inclusie gaat om zo gewoon mogelijk meedoen. Vanuit de gedachte: iedereen heeft werk.’ 

Investeren in mensen, juist als ze aan de kant staan

Daarom moeten we in mensen investeren, juist als ze aan de kant staan. Zeker omdat het aantal mensen in de bijstand in 2020 voor het eerst in 3 jaar weer steeg, met 3,4 procent. Dit percentage is lager dan gedacht, deels ook door de coronasteunmaatregelen van het Rijk. Maar dat ‘het meevalt’ zou geen juiste conclusie zijn. Achter zulke percentages gaan grote persoonlijke drama’s schuil. Er zijn nu nog zijn duizenden mensen afhankelijk van tijdelijke steunmaatregelen en hoe gaat het straks met hen?

We moeten in mensen investeren, juist als ze aan de kant staan. Zeker omdat het aantal mensen in de bijstand in 2020 voor het eerst in 3 jaar weer steeg, met 3,4 procent.

Alle lof voor de tijdelijke steun vanuit dit kabinet. Maar als straks de wereld weer opengaat en de economie trekt aan, mag niemand achterblijven. Rijk, gemeenten en inwoners zullen samen moeten werken aan structurele oplossingen die bestaanszekerheid bieden. Oplossingen gebouwd op basis van wederzijds vertrouwen en de constructieve relatie die nodig is. 

Erik Dannenberg Bron: www.divosa.nl