Gemeenteraden: méér politieke dialoog en sturing in sociaal domein

Vijf jaar geleden werden de Jeugdwet, de Participatiewet en de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) gedecentraliseerd. Wat goede (jeugd)zorg is, wordt sindsdien aan gemeenten overgelaten. Dit betekent dat het takenpakket van gemeenteraden flink zwaarder is geworden. Een traject om raden hierbij te steunen vanuit het Programma Sociaal Domein, is in maart afgerond met een slotconferentie in het stadhuis van Almere. Rode draad tijdens de conferentie: gemeenteraden doen er goed aan om minder te kijken naar cijfers en meer te praten over de richting van het beleid in het sociaal domein. Het mag, met andere woorden, wel wat politieker.

Innovatie op drie fronten

Almere is gastheer voor de slotconferentie en één van de vijf deelnemende gemeenten aan het traject ‘Rol gemeenteraad, uniek samenspel’. De gedachte hierbij is uiteraard dat andere gemeenten gaan leren van de ervaringen die in het traject zijn opgedaan. Dat de relatie tussen gemeenteraden en het sociaal domein een onderwerp is dat leeft, blijkt op 5 maart uit de goed gevulde raadszaal, met betrokken ambtenaren, onderzoekers, marktpartijen, griffiers en zittende- en voormalige lokale politici uit het land.

De Almeerse raadsadviseur Robert-Jan Ritsema legt uit dat in het traject op drie fronten is gewerkt aan innovatie in het samenspel tussen raad en college. Er is gekeken naar de manier waarop de raad – in verbondenheid met maatschappelijke stakeholders - haar rol als kadersteller en controleur beter kan invullen. Daarnaast is gezocht naar vernieuwing in de manier waarop de raad op eigen kracht én in samenwerking met het college een betere informatiepositie kan krijgen. En ten derde is gewerkt aan vernieuwing in het samenspel tussen raad en college door bij het verantwoorden meer in te zetten op kwalitatieve data.

Emotionele betrokkenheid

Het is de taak van gemeenteraden om goed in beeld te hebben of inwoners de juiste zorg en ondersteuning ontvangen en of dit goed georganiseerd is. Vijf jaar na de decentralisaties concludeert de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) dat gemeenteraden op veel plekken nog worstelen met hun nieuwe rol in het sociaal domein. In het in februari gepubliceerde advies Decentrale taak is politieke zaak. Naar een sturende rol van de gemeenteraad in het sociaal domein wordt dit uitvoerig geanalyseerd.

ROB-onderzoeker Veerle van den Broek is bij de slotconferentie aanwezig om het advies toe te lichten. Ze schetst dat het sociaal domein in veel gemeenten een bijna apolitiek onderwerp is geworden, dat vooral draait om financiën. Kadernota’s op het gebied van het sociaal domein bevatten bijvoorbeeld nauwelijks lokale inkleuring. En omdat het vaak ontbreekt aan een scherp geformuleerde missie en visie, zijn er weinig kwalitatieve indicatoren om resultaten te meten.

Raden zijn, in de ogen van de ROB, teveel gericht op professionaliseren, in de hoop zo de grip op het thema te versterken. Maar de raad is er juist voor het uitwisselen van meningen en visies. Van den Broek: ‘Het gevolg is dat raadsdebatten over het sociaal domein zich in hoofdzaak afspelen in de professionele dimensie. En dat terwijl meer emotionele betrokkenheid nou juist de bedoeling was van decentralisaties!’

Raad en college: opdrachtgever-opdrachtnemer

Gemeenteraden moeten meer sturing geven door minder te praten over de uitvoering en meer het politieke gesprek te voeren over de richting van het beleid in het sociaal domein, is dus de strekking van het ROB-advies. ‘Daarbij hoort dat de raad zich meer positioneert als opdrachtgever van het college’, aldus Veerle van den Broek. Colleges kunnen dat als opdrachtnemer ondersteunen door meerdere onderbouwde scenario’s aan de raad voor te leggen, in plaats van enkelvoudige voorstellen. Dit geeft raadsleden meer keuzeruimte en het bevordert het debat.

Relatief weinig raadsvragen

Jan-Dirk Pruim, griffier in Almere, is gedurende zijn lange loopbaan gefascineerd geraakt en gebleven door de lokale democratie. Hij had gehoopt dat de decentralisering in het sociaal domein tot méér discussie over maatschappelijke waarde zou leiden en daarmee tot vitalisering van de lokale democratie.

Tot zijn spijt moet hij de conclusie van de ROB onderschrijven dat het onderwerp juist tot relatief weinig politiek tumult leidt: ‘In de raad van Almere had de afgelopen jaren slechts 12 procent van de raadsvragen betrekking op het sociaal domein.’ De informatievoorziening aan de raad, in de vorm van sterk kwantitatieve monitors met steeds meer data, speelt daarin een rol, denkt Pruim. ‘We moeten die monitor natuurlijk niet weggooien, maar we moeten wel kritisch blijven op nut en noodzaak van de data waarmee raden worden overspoeld.’

Via kwalitatieve informatie naar politieke keuzes

In het sociaal domein wordt door gemeenten een overdaad aan data verzameld en in monitors vastgelegd, maar die zijn vooral kwantitatief. Ter versterking van de informatiepositie van gemeenteraden is meer kwalitatieve informatie cruciaal. J

eanette van de Korput is onderzoeker bij Hogeschool Windesheim en heeft in het kader van het traject geëxperimenteerd met andere manieren van kwalitatieve informatieverwerving. Ze liet acteurs scrips uitspelen voor een publiek van raadsleden. Die scrips, met als onderwerp het overbruggen van hun afstand tot de arbeidsmarkt, zijn geschreven op basis van interviews met echte cliënten.

Belangrijkste les uit de scripts is dat ze duidelijk maken dat er vaak complicaties zijn die doel en uitkomst van regelingen of afspraken in de weg staan. Denk aan cliënten die dolgraag de arbeidsmarkt op willen, maar waar schulden of problemen met kinderen en/of huisvesting in de weg staan. Van de Korput: ‘Met deze manier van informatie presenteren, zien raadsleden in één plaatje de complexe samenhang van Wmo, participatie en jeugdzorg.’

Paarden knuffelen - of niet

Een raadslid vat samen hoe zulke inzichten bijdragen aan de inhoud: ‘Aan de hand van de casussen zie je dat er ruimte is om tussenstappen te zetten. De vraag is dan: wil je hier maatwerk leveren? Dat is het moment waarop je politieke keuzes gaat maken.’ In de discussie die hierop volgt, komt de vraag op of de raad dan weer niet te veel op de stoel van de uitvoering gaat zitten. Een oud-raadslid illustreert hoe die valkuil vermeden kan worden: ‘Neem zoiets als paarden knuffelen. De een vindt het onzin, de ander zweert erbij. Als je als raad zegt: “wij vertrouwen de cliënt”, dan is dat een kader waar de uitvoering iets mee kan. Maar als je zegt: “het moet wetenschappelijk onderbouwd zijn”, dan is dat er ook één’.

Het lectoraat Klantenperspectief in Ondersteuning en Zorg aan Hogeschool Windesheim gaat de komende tijd verder met onderzoek naar methodes om kwalitatieve informatie uit het sociaal domein bij gemeenteraden te krijgen. Via de Werkplaatsen Sociaal Domein zullen resultaten gedeeld worden.

Maatschappelijke partners betrekken

Bruikbare informatie die aansluit bij de maatschappelijke context is de sleutel voor het versterken van de rol van gemeenteraden in het sociaal domein. Roelie Bosch is sinds vorig jaar wethouder Jeugd, Onderwijs, Welzijn, Gezond in Almere. Daarvoor is ze vele jaren raadslid geweest. Ze neemt de deelnemers aan de conferentie mee in haar ervaringen met het vinden van relevante informatie aan beide kanten van de streep. Bosch: ‘Als raadslid beschouwde ik het stadhuis wel als een “black box” als het om informatie gaat. Als wethouders krijg je dan in één keer alle denkbare informatie over alles. Maar al na een paar maanden dacht ik bij mezelf: maar nu weet ik nog steeds veel niet!’ Er zit namelijk nóg een cirkel rondom het stadhuis: de samenleving.’

‘Eigenlijk al het beleid op het gebied van bijvoorbeeld zorg of onderwijs wordt uitgevoerd door partners en niet door de gemeente zelf’, zegt Bosch. ‘De raad, het college, deze partners; we willen eigenlijk allemaal hetzelfde: beleid dat werkt voor mensen. Discussies over missie en visie zijn belangrijk, maar je wil ook van de professionals horen hoe het in de praktijk uitpakt.’

In het kader van een pilot zijn in Almere informatieve gesprekken opgezet tussen wethouder, ambtenaren en partners, waarin in een veilige setting informatie uitgewisseld kan worden. Bosch is daar tevreden over. ‘In bijvoorbeeld de rapportages over jeugdhulp wil je vooral teruglezen of we de goede dingen goed doen. Daarmee kan je het verschil maken.’ Kwalitatieve informatie vanuit de maatschappij is daarbij cruciaal en, zo besluit ze, ‘uiteindelijk is het de raad die de stem van de samenleving écht binnenbrengt.’

Het echte werk: in gesprek met de stad

Ook griffier Jan-Dirk Pruim onderstreept het belang hiervan. Ook hij vindt dat raadsleden veel meer het gesprek moeten aangaan met maatschappelijke instellingen om de kwaliteit van hun informatiepositie te verbeteren. ‘Ik denk ook dat raadsleden daar veel plezier aan hebben’, zegt hij. ‘Dit is het échte werk: in gesprek zijn met je stad en dat uiteindelijk weer terugbrengen naar de raadszaal. Zo kan de raadzaal weer de plek worden waar politiek-filosofische gesprekken over de stad gevoerd worden.’